In de vorm van een lezing wil ik aandacht besteden aan:
. Java als programmeertaal om platformonafhankelijke software te schrijven
. Java als internet programmeertaal
. De essenties van de OO programmeertaal Java a.d.h.v. een aantal voorbeelden:
1. classes en objecten
2. inheritance en interfaces
3. threads
4. exceptions
5. applets vs. applicatie
. Waarom is Java geschikt als taal in het initiële programmeeronderwijs: een pure OO programmeertaal, zonder pointerproblematiek.
. Waarom is Java geschikt als DE Programmeertaal in het informatica-onderwijs: Alle aspecten van de informatica, of het nu gaat om GUl’s, concurrent programmeren, client/server modellen, datacommunicatie etc. kunnen o.a. door de bijgeleverde class bibliotheek op een eenvoudige wijze in Java programmatuur geïllustreerd worden.
. Er wordt kort ingegaan op de verschillen en overeenkomsten met andere programmeertalen zoals C++.
Forum: IP-HOB (1) Informatica-beroepsprofielen en -opleidingsprofielen nu en over 5 jaar
Werkwijze
De forumsessie start onder regie van de voorzitter met korte presentaties van circa 5 minuten door ieder van de participanten. Daarin worden inventieve ideeën ontvouwd, interessante voorstellen toegelicht, geboekte resultaten besproken of pregnante stellingen ingebracht. Vervolgens vindt er interactie onderling en met de zaal plaats. Het is aan de voorzitter om – met de inbreng van alle discussianten – toe te werken naar concrete uitspraken of actiepunten. Hieraan wordt dan aandacht besteed in TINFON, Tijdschrift voor informatica-onderwijs.
Thema
Recent zijn er verschillende beschrijvingen van informatica-beroepsprofielen en -opleidingsprofielen verschenen. Een aantal daarvan komt aan bod in deze sessie. Maar we stellen onszelf ook een reeks vragen, zoals:
– Zitten bedrijfsleven en hoger onderwijs op hetzelfde spoor als ze praten over beroeps- en opleidingsprofielen voor informatica?
– Hoe zijn opleidingsprofielen af te leiden uit beroepsprofielen?
– Is er momenteel een kloof en zo ja hoe en in hoeverre is die kloof te dichten?
– Hoe anticipeert het onderwijs op de mogelijk nadelige effecten van een vrij lange verblijfstijd in het onderwijs (ten minste 4 jaar), terwijl de ontwikkelingen onderhand doorgaan?
– Hoe kan het bedrijfsleven concreet en betrouwbaar bijdragen om dergelijke effecten te minimaliseren?
– Hoe wegen we bij informatica vaardigheden en attitude versus kennis en inzicht?
– Hoe gaan we bij informatica om met het onderscheid WO-HBO?
– Hoe kunnen we betrouwbare uitspraken krijgen over de te realiseren profielen over 5 jaar? Of kan dat niet?
Wat is lP-HOB?
Eind 1996 is het InformaticaPlatform Hoger Onderwijs-Bedrijfsleven (IP-HOB) opgericht. In het platform participeren met 1 of 2 leden: de VSNU-Informaticakamer, het HBO-Informatica-platform, FENIT, VIFKA, VNO-NCW. De ministeries van OC&W en EZ nemen deel als waarnemer. Het platform onderhoudt contacten met andere voor het werkterrein relevante organisaties. Doel van het platform IP-HOB is het door de deelnemende organisaties gezamenlijk ondernemen van acties in het belang van de kwaliteit van en de belangstelling voor het (hoger) informatica-onderwijs.
Meer informatie bij de secretaris van het IP-HOB: drs. A. Renique, VNO-NCW, email: AJEGRenique@vno-ncw.nl, tel: 070-3490221.
Bijlagen
Forum: IP-HOB (2) Nieuwe opleidingswegen naar het informatica-beroep
Werkwijze
De forumsessie start onder regie van de voorzitter met korte presentaties van circa 5 minuten door ieder van de participanten. Daarin worden inventieve ideeën ontvouwd, interessante voorstellen toegelicht, geboekte resultaten besproken of pregnante stellingen ingebracht. Vervolgens vindt er interactie onderling en met de zaal plaats. Het is aan de voorzitter om – met de inbreng van alle discussianten – toe te werken naar concrete uitspraken of actiepunten. Hieraan wordt dan aandacht besteed in TINFON, Tijdschrift voor informatica-onderwijs.
Thema
De bekende weg om informaticus te worden is vier jaar of langer een informatica-opleiding volgen aan’ een hogeschool of universiteit. Maar we kennen ook al lang de deeltijdtrajecten, de niet-reguliere opleidingen (zoals AMBI) en het onderwijsaanbod van de Open Universiteit; in al deze gevallen is er over het algemeen sprake van iets oudere studenten die studeren combineren met werken. En in de bloeitijd voor informatica waren er plannen (vanuit het bedrijfsleven) voor het stichten van een zelfstandige Informatica Universiteit. Door de grote tekorten op de arbeidsmarkt aan informatici liepen er toen ook diverse projecten tot omscholing van werkloze academici en hbo’ers (zoals PION). Ook nu weer is de arbeidsmarkt overspannen. wat leidt tot uiterst competitieve wervingscampagnes en – opnieuw – tot allerlei omscholingstrajecten. Maar er dienen zich ook nieuwe opleidingswegen aan. Het combineren van studeren en werken in de ICT -branche direct na het behalen van HAVO- of VWO-diploma lijkt een aantrekkelijk alternatief te worden voor het gangbare voltijdse traject: een soort leerlingwezen voor het hoger onderwijs. De steeds krapper wordende studiefinanciering draagt daar aan bij. maar ook de behoefte van het bedrijfsleven aan meer interactie met het hoger onderwijs.
Hoe zien universiteiten. hogescholen. niet-reguliere opleidingsinstituten en bedrijfsleven deze ontwikkelingen? Als kansen of bedreigingen? In termen van samenwerking of concurrentie? Als illusoir of haalbaar?
Wat is lP-HOB?
Eind 1996 is het InformaticaPlatform Hoger Onderwijs-Bedrijfsleven (IP-HOB) opgericht. In het platform participeren met 1 of 2 leden: de VSNU-Informaticakamer, het HBO-Informatica-platform, FENIT, VIFKA, VNO-NCW. De ministeries van OC&W en EZ nemen deel als waarnemer. Het platform onderhoudt contacten met andere voor het werkterrein relevante organisaties. Doel van het platform IP-HOB is het door de deelnemende organisaties gezamenlijk ondernemen van acties in het belang van de kwaliteit van en de belangstelling voor het (hoger) informatica-onderwijs.
Meer informatie bij de secretaris van het IP-HOB: drs. A. Renique, VNO-NCW, email: AJEGRenique@vno-ncw.nl, tel: 070-3490221.
Bijlagen
Forum: IP-HOB (3) Kwaliteit van het hoger informatica-onderwijs: de rol van visitaties en verkenningen
Werkwijze
De forumsessie start onder regie van de voorzitter met korte presentaties van circa 5 minuten door ieder van de participanten. Daarin worden inventieve ideeën ontvouwd, interessante voorstellen toegelicht, geboekte resultaten besproken of pregnante stellingen ingebracht. Vervolgens vindt er interactie onderling en met de zaal plaats. Het is aan de voorzitter om – met de inbreng van alle discussianten – toe te werken naar concrete uitspraken of actiepunten. Hieraan wordt dan aandacht besteed in TINFON, Tijdschrift voor informatica-onderwijs.
Thema
De universiteiten en hogescholen hanteren een intensief systeem van kwaliteitszorg met als instrument de ‘visitatie’, uitgevoerd door een externe commissie. Daarnaast zijn er de ‘verkenningen’ die aan onderzoek maar ook aan onderwijs inhoudelijk richting moeten geven. We stellen onszelf hierbij onder meer de volgende vragen:
– Wat waren de belangrijkste resultaten van de informatica-visitaties in HBO en WO én van de informatica-verkenning in 1996?
– Wat zijn opvallende verschillen tussen de HBO- en WO-visitatie?
– Zijn de resultaten goed weergegeven in de pers en de Keuzegids Hoger Onderwijs? Is het tijd voor ‘officiële’ ranglijsten van opleidingen?
– Hoe waarderen de opleidingen de visitatie en hoe leidt deze tot maatregelen?
– Wat kan het onderwijs leren van de aanpak in het bedrijfsleven rondom kwaliteit?
– Wat kunnen anderen leren van het kwaliteitszorgsysteem van het hoger onderwijs?
– Hoe zou in de volgende ronde het visitatieproces in WO en HBO moeten verlopen en wat zou idealiter de relatie zijn met het bedrijfsleven en een eventuele verkenning?
Wat is lP-HOB?
Eind 1996 is het InformaticaPlatform Hoger Onderwijs-Bedrijfsleven (IP-HOB) opgericht. In het platform participeren met 1 of 2 leden: de VSNU-Informaticakamer, het HBO-Informatica-platform, FENIT, VIFKA, VNO-NCW. De ministeries van OC&W en EZ nemen deel als waarnemer. Het platform onderhoudt contacten met andere voor het werkterrein relevante organisaties. Doel van het platform IP-HOB is het door de deelnemende organisaties gezamenlijk ondernemen van acties in het belang van de kwaliteit van en de belangstelling voor het (hoger) informatica-onderwijs.
Meer informatie bij de secretaris van het IP-HOB: drs. A. Renique, VNO-NCW, email: AJEGRenique@vno-ncw.nl, tel: 070-3490221.
Bijlagen
Forum: IP-HOB (4) Scholing van docenten in het voortgezet onderwijs voor het nieuwe keuzevak informatica
Werkwijze
De forumsessie start onder regie van de voorzitter met korte presentaties van circa 5 minuten door ieder van de participanten. Daarin worden inventieve ideeën ontvouwd, interessante voorstellen toegelicht, geboekte resultaten besproken of pregnante stellingen ingebracht. Vervolgens vindt er interactie onderling en met de zaal plaats. Het is aan de voorzitter om – met de inbreng van alle discussianten – toe te werken naar concrete uitspraken of actiepunten. Hieraan wordt dan aandacht besteed in TINFON, Tijdschrift voor informatica-onderwijs.
Thema
In het schooljaar ’98f99 start in de tweede fase van het voorgezet onderwijs (VO) het nieuwe keuzevak informatica (VWO: 280 uur, HAVO: 240 uur). Een cruciale voorwaarde is dat er bekwame (en bevoegde) docenten zijn; hiervoor zijn dringend scholingsprogramma’s nodig. Vragen die we onszelf in dit kader stellen zijn bijvoorbeeld:
– Wat zouden de eindtermen moeten zijn voor de scholing tot informatica-docent?
– Wat zouden inhoud en studielast van het scholingsprogramma moeten zijn?
– Hoe ligt de belangstelling voor het vak onder leerlingen en docenten en bij de schoolleiding?
– Hoeveel docenten zijn er nodig en hoeveel VO-docenten zijn al bekwaam?
– Hoe faciliteert de overheid de scholing tot informatica-docent?
– Wat kunnen hoger onderwijs en bedrijfsleven bijdragen aan de scholingsprogramma’s en eventueel bij het verzorgen van het VO-vak zelf?
– Hoe zit het met de bevoegdheid? En komt er een reguliere lerarenopleiding?
– Waar lopen al initiatieven? Is er onderlinge afstemming?
– Wat zijn, gegeven de grote tijdsdruk en nog onduidelijke financiering, aanvaardbare oplossingen om toch op verantwoorde wijze in ’98 te kunnen starten?
Wat is lP-HOB?
Eind 1996 is het InformaticaPlatform Hoger Onderwijs-Bedrijfsleven (IP-HOB) opgericht. In het platform participeren met 1 of 2 leden: de VSNU-Informaticakamer, het HBO-Informatica-platform, FENIT, VIFKA, VNO-NCW. De ministeries van OC&W en EZ nemen deel als waarnemer. Het platform onderhoudt contacten met andere voor het werkterrein relevante organisaties. Doel van het platform IP-HOB is het door de deelnemende organisaties gezamenlijk ondernemen van acties in het belang van de kwaliteit van en de belangstelling voor het (hoger) informatica-onderwijs.
Meer informatie bij de secretaris van het IP-HOB: drs. A. Renique, VNO-NCW, email: AJEGRenique@vno-ncw.nl, tel: 070-3490221.
Bijlagen
De toekomst van informatietechnologie
De ontwikkelingen in de informatietechnologie worden beheerst door twee trends. De eerste is dat het domein waarop informatietechnologie wordt toegepast, zich uitbreidt. De tweede is een zich wijzigende verhouding tussen marktpartijen.
Van data tot kennis
In plaats van het ene woord informatie te gebruiken, is het zinnig onderscheid te maken tussen data, informatie, ervaring en kennis. Vier begrippen, die in zekere zin in elkaars verlengde liggen. De basis wordt gevormd door gegevens. Gegevens worden soms gebruikt bij het nemen van een beslissing. dan noem ik het informatie. Beslissen leidt tot het opdoen van ervaring en de evaluatie daarvan leidt tot kennis. In de afgelopen decennia is de ontwikkeling van de informatietechnologie langs dit tritsje gegaan. In den beginne waren er de transactieverwerkende systemen: registratie van gegevens voortkomend uit transacties. Later werden die gegevensbanken met wisselend succes toegankelijk gemaakt voor beslissers om er informatie uit te putten. In de loop van de tachtiger jaren kwamen er ontwerpen voor decision support systemen die waren gericht op veelzijdige ondersteuning van beslissers. vergelijkbaar met het hebben van veel ervaring. Als laatste ontstonden expertsystemen en (ruimer) kennissystemen waarin, zoals de naam al aangeeft, kennis wordt opgenomen. Het klassieke begrip informatietechnologie wordt geacht al deze toepassingen te dekken; het is duidelijk dat er soms sprake is van terminologische overschatting (transactieverwerkende “informatie”systemen) en soms van onderschatting (intelligente “informatie”systemen). We moeten onderscheid maken tussen verschillende soorten technologieën: data-, informatie- en kennistechnologie. Momenteel is datatechnologie grotendeels geautomatiseerd: het ontwerpen en implementeren van databanken wordt rijkelijk ondersteund met workbenches en CASE-tools. Het ontwerpen van informatiesystemen is wat betreft de informatieanalyse deels handwerk, maar de rest van het traject is vergelijkbaar met het ontwerpen van een databank. Bij decision support systemen is er sprake van grootschalig gebruik van standaardprogramma’s, zoals spreadsheets, databankpakketten en presentatieprogramma’s, waarin de gebruiker gedeeltelijk zijn eigen weg vindt, zij het met regelmatige ondersteuning van een helpdesk. Kennissystemen tenslotte zijn, vooral door de aard ervan, maatwerk dat grotendeels handmatig door de kennistechnoloog moet worden uitgevoerd.
Van push naar pull
De gebruikers worden mondiger, weten steeds beter wat ze wel en vooral wat ze niet willen. Dus wordt de consument belangrijk. De technology push is veranderd in een demand pull. Daardoor is de term informatie” technologie” te beperkt geworden. In de toekomst ligt de nadruk niet op de techniek, maar op de toepassing ervan.
De beslisser staat centraal in het toepassen van automatisering. Een beslisser kampt met een tekort aan kennis omtrent de mogelijkheden die worden geboden bij beslissingsondersteuning. In de praktijk zie ik ietwat hulpeloze gebruikers met wat vuistregels een beperkt deel van hun standaardpakket gebruiken onder een niet optimaal geïnstalleerde versie van Windows. Ik denk dat zonder degelijk onderbouwd advies van een deskundige de gebruiker suboptimaal werkt.
Het is de deskundigheid van de automatiseerder dat hij weet van de manieren waarop beslissingsprocessen, al dan niet ondersteund door computers, kunnen worden verbeterd. Een dergelijke deskundige noem ik niet meer informatietechnoloog; het is een informatiekundige: iemand die inzicht heeft in de manier waarop een menselijke beslisser bij het uitvoeren van zijn taak gebruik maakt van gegevens, informatie, ervaring en kennis. En die op basis van dat inzicht de beslisser kan adviseren en het advies kan omzetten in een ontwerp voor een geautomatiseerd systeem.
Conclusie
De ‘ouderwetse’ informatietechnoloog is een beperkte automatiseerder; de moderne informatiekundige is de adviseur die adviseert hoe een beslissingsproces beter is uit te voeren. Beter? Ja, in de betekenis van efficiënter, effectiever, rijker, meer mogelijkheden biedend en daar een verstandig gebruik van makend. De informatietechnologie heeft het probleem “hoe komt een beslisser aan gegevens” opgelost. De informatiekundige heeft nu tot taak het probleem op te lossen “hoe haal ik uit die rijstebrijberg van gegevens efficiënt en effectief de informatie die ik nodig heb” en in het verlengde daarvan “met welke kennis en op welke manier kan ik het beste dit probleem oplossen”.
Bijlagen
Reactie op winnend essay van Computablewedstrijd: “Van computermachinist tot adviseur voor beslissers”
In het in mei 1994 verschenen rapport van de visitatiecommissie HBO-informatica opleidingen schrijft de commissie dat de traditionele bedrijfskundig informaticus de volgende deskundigheid heeft: “Kennis en beheersing van informatie-analyse en gegevens- en procesanalyse-methoden welke gebruikt worden bij het analyseren van informatiestromen en het opstellen van gegevensmodellen. Het doel van de inzet van deze deskundigheid is het formuleren van de functionele en kwaliteitseisen waaraan het concrete systeem moet voldoen.”
Dat klopt, en op dit moment wordt de bedrijfskundig informaticus voorgehouden dat hij vooral (ook) op de hoogte moet zijn van de bedrijfsprocessen waar zijn opdrachtgever mee te maken heeft, zodat hij vruchtbaar kan meedenken en de informatiebehoefte van de gebruiker kan vertalen naar concrete systeemeisen. Hij moet zeker geen knoppenduwer en apparatenschuiver (de ‘computermachinist’ van de Boer?) zijn maar, voorzien van grote communicatieve vaardigheden, de gebruiker helpen te verwezenlijken wat hij wil.
De Boer zal toch niet déze informatiekundige bedoelen? Hij schrijft ‘niet alleen het aandragen van computers is van belang, de automatiseerder dient in samenwerking met de gebruiker het hele beslissingsproces te analyseren en vanuit zijn deskundigheid aanbevelingen te doen voor het verbeteren daarvan’. Dat lijkt toch wel erg op wat hierboven beschreven is. De visitatiecommissie schrijft echter in hetzelfde rapport dat deze rol in onbruik zal geraken en dat het onderwijs daar niet meer op mag worden afgestemd.
Ik ben het eens met de Boer als hij schrijft dat gebruikers niet even een toepassing voor zichzelf kunnen bouwen. Daarmee hebben we echter nog maar een heel klein deel van het werkgebied van automatiseerders bestreken. Het probleem zit er in dat in het stuk van de Boer geen onderscheid gemaakt wordt tussen gebruikers en, wat wel genoemd wordt, toepassers. Oosterhaven beschrijft toepassers als volgt (Automatiseringsgids januari 1995): ‘sophisticated gebruikers uit een ander primair vakgebied, met een grondige kennis van informatica’. Oosterhaven noemt als de taken van toepassers andere: ‘Het ontwerpen en implementeren van werkprocessen in organisaties met de bijbehorende informatica-applicaties’ en ‘Het definiëren van de gewenste informaticavoorzieningen (hardware, software en communicatiemiddelen)’ .
Zijn conclusie: ‘De omgeving waarin de gebruiker opereert wordt integraal, dus inclusief de informatica elementen, ontworpen en beheerd door de toepassers, die zich daarbij gesteund weten door de informaticaspecialisten’ . Dat is precies wat de visitatiecommissie ook voorspelde: de definiërende en specificerende taak komt steeds meer te liggen bij de opdrachtgever, de niet-automatiseerder. Daarom ben ik het niet eens met de Boer als hij stelt dat ‘de toekomst van de automatiseerder ligt in het trajectgedeelte dat voorafgaat aan de implementatie.’
Vreven, strategisch adviseur voor IT bij Rabobank Nederland, ziet een grote toekomst weggelegd voor wat hij noemt bedrijfsinformatici. ‘Deze beschikken over een brede bedrijfs- en IT-kennis en vertalen business-vragen dicht bij de gebruiker in creatieve IT-toepassingen’. Volgens Vreven zal het aantal bedrijfsinformatici toenemen tot 70% van de totaal benodigde informatici. Die bedrijfsinformaticus, is ‘in de eerste plaats business-georiënteerd met een business-domein specialisatie en heeft daarnaast een behoorlijk inzicht in IT’.
Het interessantste traject, het voortraject wat nu traditioneel de plaats is waar carrière-ruimte te vinden is voor de automatiseerder, zal dus het terrein worden van de domein-specialist, de toepasser. Wat rest er dan voor de automatiseerder pur sang? In ieder geval minder plaats. lijkt me. Ook Oosterhaven ziet dat zo: ‘De informatica maakt integraal deel uit van (alle) producten en processen. Dus productontwikkeling is applicatie-ontwikkeling en procesontwerp is applicatie-ontwerp. Dit werk zal daarom gebeuren door commerciële, productie- en distributiedeskundigen in de desbetreffende branche’ .
Wat mij betreft is het duidelijk dat automatiseerders niet zo heel gerust kunnen zijn als het om de toekomst van hun werkterrein gaat. Ik heb alvast mijn heil gezocht in het opleiden van toepassers.
Bijlagen
Opleiding docent Technische Informatica
In augustus 1992 is de PTH gestart met de 4-jarige opleiding “Docent TI”. De eerste diploma’s zijn in juli 1996 uitgereikt. Inmiddels komt de tweede lichting docenten eraan en is het tijd de ervaringen te evalueren.
De PTH is de enige opleiding voor docenten in technische vakken. Reeds in de jaren 80 zijn verzoeken geschreven naar het Ministerie van Onderwijs om een opleiding docent Informatica te mogen starten. Het antwoord was steeds dat Informatica geïntegreerd moet zijn in de reeds bestaande vakken.
In 1988 zijn 4 MTO-scholen gestart met de studierichting TI. Het leerplan, opgesteld door deze 4 scholen is in 1992 door het Ministerie van Onderwijs goedgekeurd. In 1993 en 1994 is het aantal scholen uitgebreid tot ongeveer 20.
Deze opleiding richt zich met name op het bouwen en beheren van geautomatiseerde systemen. Hiervoor is naast kennis op het gebied van informatiesystemen, programmeertalen en computersystemen ook kennis nodig van de context van informatica. Een automatiseerder moet
namelijk “kunnen meepraten” met degene die zijn omgeving wil laten automatiseren.
De PTH heeft op deze ontwikkeling gereageerd door de opleiding docent TI te starten. Bij studenten is gebleken dat het programma over het algemeen goed aanslaat. Vooral vanuit bedrijven is veel belangstelling voor afgestudeerden docent TI. Toch geven de ervaringen aan dat er wijzigingen gewenst zijn, omdat naast de vakinhoudelijke vernieuwingen er ook onderwijskundig nieuwe inzichten zijn. En last but not least: het moet betaalbaar zijn en blijven.
Bijlagen
Multimedia-onderwijs: grenzen verkennen
Multimediale computertoepassingen verleggen in snel tempo de grenzen van apparatuur, programmatuur en ontwikkelmethodieken. Het informatica-onderwijs staat voor de uitdagende opgave om een actueel onderwijsaanbod te ontwikkelen over dit razendsnel veranderend thema. Hoe gaan we daarmee om?
Onderwijsontwikkeling over multimedia confronteert ons bovendien met de vraag waar de grenzen liggen van wat we tot informatica-onderwijs rekenen. Hoe verhoudt het multimediaal ontwerpen zich tot de bestaande informaticavakken?
Bijlagen
Nieuwe docenten door nieuwe technologieën?
Naar veranderingen in de samenleving kan vanuit vier verschillende – onderling samenhangende – invalshoeken gekeken worden:
– de structuur van de samenleving, de organisatie van de arbeidsmarkt verandert
– de cultuur verandert
– er zijn veranderingen op persoonlijk vlak
– de natuur wordt steeds meer beheerst met steeds veranderende hulpmiddelen.
Informatie- en communicatietechnologie spelen in deze ontwikkelingen een belangrijke rol. Centrale sturing met decentrale beslissingen is zonder snelle communicatie niet mogelijk. Consumenten worden mondiger doordat zij over meer informatie beschikken, vergelijkingen kunnen maken, kunnen controleren. Andersom is er meer over consumenten bekend, waardoor een betere afstemming door producenten kan plaatsvinden. Bovendien biedt de moderne technologie de mogelijkheid om kleinere series te maken, meer dan in het begin van de industrialisatie het geval was. Marktgerichtheid krijgt echt betekenis, zozeer dat zelfs van ketenomkering wordt gesproken: niet langer brengt de producent producten op de markt waarvan maar afgewacht moet worden of ze verkoopbaar zijn, maar gaat de vraag van de consument voor de productie uit.
Het onderwijs verandert parallel aan deze ontwikkelingen, en moet ook veranderen om leerlingen in staat te stellen de ontwikkelingen het hoofd te bieden. De parallel met de consumentenmarkt kan doorgetrokken worden:
– leerlingen zijn mondiger geworden; zij onderhandelen meer, stellen vaker de autoriteit van de docent ter discussie, onder meer omdat zij zelf overal de feiten kunnen vinden, de docent heeft niet langer het kennismonopolie
– de arbeidsmarkt vraagt anders opgeleiden, die zich flexibel opstellen en bereid zijn te blijven leren
– het onderwijsaanbod dient steeds meer afgestemd te zijn op individuele leerlingen; hier kan de informatietechnologie ook een rol spelen, bijvoorbeeld door leerlingvolgsystemen
– technologie biedt de mogelijkheid kleine series te maken: bijvoorbeeld snelle aanpassing lesmateriaal dat toch al in de computer zit.
Net zoals de markt meer klantgericht wordt, moet het onderwijs meer leerlinggericht worden. De docent wordt absoluut niet overbodig; zijn of haar rol wordt wel anders. Computers en Internet nodigen leerlingen uit tot activiteit. Zij gaan zelf op zoek naar informatie, wisselen ervaringen met anderen uit. Internet is behalve (eindeloze) informatiebron vooral communicatiemedium. Leerlingen kunnen daardoor ook in discussie gaan met docenten, ook al omdat diens kennis controleerbaar wordt.
Docenten moeten hier mee om kunnen gaan, er tegen kunnen. Zij zullen vooral moeten structureren en begeleiden, meer dan doceren. Toch wil de docent tevens de expert zijn. Hierbij kan Internet ook helpen omdat ook docenten er informatie kunnen vinden en via Internet ervaringen kunnen uitwisselen met anderen. Verder kan de school zelf als aanbieder optreden en een Internetsite opzetten, waar dan weer leerlingen bij betrokken kunnen worden. Op die manier kan de school een leeromgeving worden, die leerlingen uitnodigt tot activiteit en hen voorbereidt op een onzekere toekomst.
