Zes verschillende typen toepassingen van Informatie- en Communicatietechniek in de context van het Onderwijs

Eerder onderzoek (Van Reeken, 1995 en 1996) bracht zes verschillende typen toepassingen van Informatie- en Communicatietechniek (ICT) aan het licht. Deze zijn: automatiseren, informatiseren, concurreren, transformeren, anticiperen en ondernemen. Hoewel deze zes theoretische typen verschillende doelstellingen, organisatorische consequenties, baten en risico’s hebben, zullen toepassingen in de praktijk karakteristieken vertonen van een of meer van deze zes typen.
In dit artikel worden deze typen toegepast in de context van het onderwijs. Dit resulteert in zes verschillende maar specifieke ICT-toepassingsvormen, elk met hun eigen mogelijkheden en consequenties voor de onderwijsorganisatie. In essentie zien we dat ICT gebruikt kan worden om:
1. in het huidige onderwijsproces werk van de leraar/docent te vervangen door ICT, met de bedoeling het onderwijsproces efficiënter te maken.
2. het huidige onderwijsproces door de toepassing van ICT te verbeteren, met de bedoeling het onderwijsproces effectiever te maken.
3. het onderwijsproces middels toepassing van ICT aan te passen aan de ontwikkelde onderwijsstrategie, met het oog op een betere positie in de onderwijsmarkt.
4. het onderwijsproces middels toepassing van ICT en procesherontwerp te transformeren, met het oog op een hogere tevredenheid van student en/of leraar/docent.
5. door middel van een adequate ICT -infrastructuur en -architectuur snel op een toekomstige marktvraag te kunnen reageren, dus met het oog op flexibeler onderwijsprocessen.
6. door middel van de opgebouwde ICT -infrastructuur bestaande onderwijsproducten op nieuwe markten en/of nieuwe onderwijsproducten op bestaande (en nieuwe) markten te kunnen brengen.

Van Reeken A.J.: Justifying Investments in Information Technology and Systems: Dependence on the investment vision; Proceedings Third SISnet Conference, Universität Bern (CH), 18-19 September 1995
Van Reeken A.J.: Investeren in Informatietechnologie; in C. van Dam en Th. A. van Beek: Bedrijfskundige uitdagingen en de manager van nu; Kluwer Bedrijfswetenschappen, 1996.


Bijlagen

Informatiemanagement als nieuw en belangrijk onderwerp in het huidige bedrijfseconomische curriculum

Informatiemanagement wordt meestal gedefinieerd als het management van de informatiefunctie in organisaties. Management kan nader worden onderverdeeld in planning, inrichting en beheersing. Informatiemanagement kan aldus worden gezien als een complement van functies als Personeels- en Financieel Management. De toepassing van Informatie- en Communicatietechniek (ICT) in de huidige organisaties heeft een situatie opgeleverd waarin planning, inrichting en beheersing van de informatiefunctie gewenst zijn met het oog op een economisch gebruik van middelen en de voortdurende concurrentie.
Tot nu toe is deze functie in veel organisaties gemanaged door specialisten op het gebied van ICT die in die hoedanigheid in de organisatie omhoog zijn geklommen tot het huidige niveau. Omdat hun belangstelling voornamelijk gelegen is aan de aanbodkant van de ICT-applicatie, is er een groeiende behoefte aan Informatiemanagers die hun belangstelling vooral aan de vraagkant hebben. Omdat kleine en middelgrote organisaties niet in de gelegenheid zijn zowel iemand als controller, als iemand als informatiemanager aan te stellen, worden beide functies daar veelal in een persoon gecombineerd. Deze ontwikkelingen zijn een uitdaging aan de huidige bedrijfseconomische curricula. Een reactie moet ook niet al te lang op zich laten wachten. Dit geeft de huidige bedrijfseconomische opleidingen die nog alleen aandacht besteden aan zaken als informatiesysteemontwikkeling met ISAC, NIAM, ERA, SDM of soortgelijke methoden, de gelegenheid tot een noodzakelijke update. Niet omdat deze methoden op zich zelf onjuist waren, maar omdat bedrijfseconomen thans voor andere problemen gesteld worden dan in de 80’er jaren.
De ervaring bij de Universiteit Maastricht, waar enkele jaren geleden de cursussen informatieanalyse en ontwerp werden vervangen door cursussen informatiemanagement heeft geleerd dat zulke veranderingen mogelijk en nuttig zijn voor studenten interne berichtgeving (accountancy en management control).


Bijlagen

Open Universiteit: Begeleid studeren op afstand; voorbeeld van een groepsbijeenkomst

Doelgroep van de workshop:
Alle geïnteresseerden in materiaal en werkwijze van de Open Universiteit en iedereen die zich de eerste beginselen van procesmodellering wil eigen maken.
De Open Universiteit kent voor beginnende studenten Informatica een zg. Kennismakingstraject bestaande uit twee cursussen van ieder 3 studiepunten. De titels van deze cursussen luiden: Oriëntatie op informatica en Beginselen van informatica.
De Open Universiteit is een instelling voor academisch afstandsonderwijs. Dit betekent dat studenten zich zo veel mogelijk via zelfstudie de stof eigen maken. Het studiemateriaal van de Open Universiteit is specifiek hierop afgestemd. Bij een flink aantal cursussen worden ook begeleidingsbijeenkomsten georganiseerd (gemiddeld 5 per cursus). In die bijeenkomsten wordt door de studiebegeleider (docent) de samenhang van de stof gepresenteerd, worden inhoudelijke vragen van studenten beantwoord en wordt aan de hand van casussen geoefend met zaken die in de leerstof aan de orde gekomen zijn.
In de cursus Beginselen van informatica wordt het ontwerpen en implementeren van informatiesystemen behandeld volgens een object georiënteerde aanpak. In deze cursus komen ook een aantal technieken aan de orde die bij de meer traditionele methoden van systeemontwikkeling gebruikt worden. Een van die technieken is procesmodellering middels Data Flow Diagrammen (DFD).
Deze workshop laat de deelnemers kennismaken met het lesmateriaal van de Open Universiteit en laat zien hoe zo’n begeleidingsbijeenkomst er uit kan zien. Gekozen is om procesmodellering met DFD’s te nemen als onderwerp. Voor dit onderwerp is geen specifieke voorkennis vereist. De deelnemers van de workshop krijgen een kopie van het relevante cursusmateriaal. In kort bestek wordt het materiaal besproken (in de werkelijkheid bereiden studenten zich natuurlijk goed voor). Na het beantwoorden van eventuele vragen wordt een casus uitgedeeld en kort toegelicht. De casus bestaat uit een beschrijving van een bedrijfje. De deelnemers aan de workshop dienen op basis van de casusbeschrijving in groepsverband een contextdiagram (een DFD waarin het gehele systeem als één proces wordt weergegeven) en een eerste decompositie in de vorm van een DFD te maken.
De workshop wordt besloten met een korte bespreking van de casus.


Bijlagen

Technology Push vanuit de Universiteit naar het Bedrijfsleven

Professor Plasmeijer is in 1994 aan de Katholieke Universiteit Nijmegen benoemd tot bijzonder hoogleraar op het gebied van de Declaratieve Systemen. In het kader van zijn leerstoel richt hij zich met name op de overdracht van kennis tussen de onderzoekers aan de KUN en het bedrijfsleven ter bevordering van het gebruik van Functionele Programmeertalen in de dagelijkse industriële programmeerpraktijk. Hij is tevens betrokken bij een recent opgericht softwarebedrijf (HILT – High Level Software Tools) dat tot doel heeft deze kennistransfer te ondersteunen.
Professor Plasmeijer signaleert een aantal ontwikkelingen betreffende Informatica Techology Push vanuit de universiteit naar het bedrijfsleven.
Doordat het bedrijfsleven het onderzoek doorschuift naar de universiteit wordt er door de universiteit steeds meer onderzoek verricht dat marktgericht is. De universiteit is echter natuurlijk ook een instelling waar vrij onderzoek wordt verricht in de hoop dat zo nieuwe grensverleggende ideeën ontstaan. Die ideeën moeten dan wel omgezet worden in een werkbaar produkt.
Het probleem is dat de universiteiten heel ver moeten gaan in het aantonen dat de ideeën iets bruikbaars opleveren. Een prototype is niet genoeg, het produkt moet er al min of meer liggen. Dit probleem wordt versterkt door het gebrek aan fundamentele kennis bij het bedrijfsleven en de enorme zuigkracht van de markt in informatietechnologie. Technology push vanuit de universiteit wordt daardoor bemoeilijkt.


Bijlagen

Opleiding registeraccountants – Invloed gebruik IT op interne en accountantscontrole

Kennis van het gebruik van informatietechnologie in organisaties en de ontwikkelingen in IT zijn voor de accountant van groot belang. De accountant belast met de controle van de jaarrekening heeft heden ten dagen vrijwel altijd te maken met cliënten waar de gegevensverwerking en informatieverzorging langs elektronische weg plaatsvindt. Volgende stappen worden reeds gezet, hetgeen betekent dat de paperless society in aantocht is. Deze ontwikkeling is reeds zichtbaar in het gebruik van Electronic Data Interchange (EDI). Uit strategiediscussies binnen organisaties komt naar voren dat IT-toepassingen de huiskamer zullen bereiken. De accountant zal de geautomatiseerde informatiesystemen moeten beoordelen -op hoofdlijnen- voor wat betreft de betrouwbaarheidsaspecten volledigheid en juistheid en zal vanzelfsprekend de inbedding van deze maatregelen in de gebruikersorganisatie daarin betrekken. Kennis van de beoordeling van geautomatiseerde informatiesystemen dient derhalve bij de accountant voorhanden te zijn. Slechts ingeval sprake is van technisch ingewikkelde toepassingen, waarbij gebruik wordt gemaakt van bijvoorbeeld online-real time-toepassingen met complexe database management-systemen, is het noodzakelijk dat de accountant de hulp van specialisten, EDP auditors, inroept.
Niettemin ziet de accountant zich voor problemen geplaatst. Ten gevolge van de integratie van verwerkingsstappen en niet in het minst het in programmatuur en bestanden opnemen van rekenregels, beslissingstabellen en andere van belang zijnde variabelen en vaste gegevens vervallen nogal eens de mogelijkheden om de volledigheid en juistheid van de geautomatiseerde gegevensverwerking vast te stellen. De accountant zal derhalve in ieder geval kennis moeten hebben van de wijze waarop controle- en beveiligingsmaatregelen in toepassingsprogrammatuur, afhankelijk van de typologie ervan worden ingebouwd.
Verder zal hij waarnemen dat de authenticatie en autorisatie van gebruikers met betrekking tot het vaststellen van hun bevoegdheden ten aanzien van het gebruik van het geautomatiseerde systeem door de computer worden overgenomen. Waar bevoegdheden met betrekking tot te verrichte handelingen voorheen konden worden afgeleid uit documenten en daarop geplaatste paragrafen ter zake van de afwerking ervan moet nu worden gesteund op een geautomatiseerd toegangscontrolesysteem dat vervolgens bepaalt tot welke handelingen de eindgebruiker bevoegd is. De functie- en taakverdeling binnen organisaties ligt met ingang van heden vast in in het computersysteem opgenomen functie-matrices en passwords. Er heeft een migratie van controlemaatregelen plaatsgevonden van de organisatie en toepassingscontroles naar hogere software-lagen (het besturingssysteem van de computer en het toegangscontrolesysteem. alsmede het database management-systeem) .
Wanneer de accountant zal wensen vast te stellen dat de functie- en taakverdeling op een correcte wijze is verankerd in de organisatie en dat deze gedurende de controleperiode wordt gehandhaafd en nageleefd, zal hij derhalve deze informatie vanuit het geautomatiseerde systeem moeten opvragen.
Het zal duidelijk zijn dat van de accountant niet kan worden verlangd dat hij een zodanige IT -kennis en met name gespecialiseerde kennis op allerhande hardware/software-platformen bezit dat hij bij een variëteit van cliënten deze werkzaamheden kan uitvoeren. Dit mag niet van hem worden verwacht. Het betekent vervolgens dat de IT -kennis en de wijze waarop onderzoek naar de kwaliteit van de getroffen interne controlemaatregelen slechts zal kunnen worden uitgevoerd, wanneer een EDP auditor een integrerend onderdeel vormt van het controleteam. De EDP auditor is in dit geval bij voorkeur een afgestudeerd accountant die zich op de invloed van het gebruik van informatietechnologie op de beheersing van organisaties en op de accountantscontrole heeft gespecialiseerd. Voor diepgaande onderzoeken zal deze altijd een beroep kunnen doen op EDP auditors die op bepaalde hardware/software-platforms zijn gespecificeerd.
De accountant zal niet slechts naar de kwaliteit van het toegangscontrolesysteem, dat de functie- en taakverdeling ondersteunt een onderzoek moeten instellen, doch evenzeer naar andere aspecten, die kunnen worden gerekend tot de GenerallT Controls. In dit verband valt te denken aan de organisatie van de IT-functie, de functie- en taakverdeling daarbinnen, de test-, acceptatie- en overdrachtsprocedure, alsmede het beheer van programmabibliotheken en bestanden en dergelijke. Ten slotte is het voor de gebruiker van belang te weten dat de door hem geteste en geaccepteerde programmatuur te allen tijde ongewijzigd operationeel blijft, terwijl de accountant vanzelfsprekend op dergelijke maatregelen zal moeten kunnen steunen in het kader van de accountantscontrole.
Aan de Rijksuniversiteit Groningen is op 1 september 1990 een nieuwe leerstoel ingesteld, te weten betrouwbaarheidsaspecten geautomatiseerde informatiesystemen. De leerstoel behelst het geven van onderwijs en het doen van onderzoek op de navolgende gebieden:
– de invloed van het gebruik van informatietechnologie op de beheersing van organisaties (interne controle en beveiliging);
– de invloed van het gebruik van informatietechnologie op de accountantscontrole;
– het gebruik van de computer door de accountant.
De hoogleraren, verantwoordelijk voor de leerstoelen administratieve organisatie respectievelijk controleleer, hebben vastgesteld dat de invloed van het gebruik van informatietechnologie van dien omvang en betekenis is, dat een gespecialiseerd hoogleraar deze gebieden tot zijn verantwoordelijkheid diende te rekenen.


Bijlagen

Visueel programmeren in Java

De Open Universiteit en de TU Delft zijn samen begonnen aan een herziening van het inleidende programmeeronderwijs. Twee factoren hebben een rol gespeeld bij het besluit tot die herziening. Ten eerste is in beide instituten besloten om het procedurele paradigma in te ruilen voor het objectgeoriënteerde, met Java als programmeertaal. Omdat dit besluit nauwelijks revolutionair genoemd kan worden, zullen wij hier niet ingaan op de afwegingen die daarbij een rol hebben gespeeld. Wel willen we vast een probleem signaleren: de kracht van het objectgeoriënteerd programmeren wordt pas duidelijk in programma’s van aanzienlijke omvang en is daarom moeilijk in een eerste programmeercursus over te brengen. Ten tweede merkten wij dat de studenten het programmeeronderwijs lang zo opwindend niet meer vinden als pakweg tien jaar geleden. Een reden voor dit verminderde enthousiasme lijkt de enorme kloof die er gaapt tussen de programma’s waar studenten (bijvoorbeeld in een Windows-omgeving) zelf mee werken en de qua gebruikersinterface vrijwel triviale programma’s die ze ontwikkelen in onze eerste programmeercursussen.
Recent zijn er (ook voor Java) programmeeromgevingen beschikbaar gekomen waarin de gebruiker vrijwel moeiteloos een grafisch interface kan definiëren, met de elementen die bekend zijn uit de Windows-omgeving, zoals menu’s, knoppen en tekstvelden. De omgeving genereert de benodigde code voor dit interface; de programmeur kan zich beperken tot specificatie van benodigde event-handlers (bijvoorbeeld om vast te leggen wat er moet gebeuren als op een knop wordt geklikt). Uiteraard kan de code voor het interface desgewenst gebruik maken van zelf gedefinieerde objectklassen.
Een dergelijke omgeving vormt zelf een prachtige illustratie van de kracht van het OO-paradigma, onder meer doordat deze essentieel gebruik maakt van de beschikbaarheid van standaard Java-klassen. Ook kunnen studenten hiermee applicaties maken met een volwassen gebruikersinterface, wat het plezier in het programmeren sterk ten goede zal komen. Het gebruik ervan stelt ons echter ook voor de nodige didactische problemen. De gegenereerde code zal de studenten in eerste instantie als abacadabra overkomen. Zelfs vrij triviale Java-programma’s maken al gebruik van standaardklassen; voor het inlezen en tonen van getallen gebeurt dat bovendien op een manier die niet erg doorzichtig is. Wij hebben deze problemen opgelost door de cursus te beginnen met een deel waarin uitsluitend gebruik gemaakt wordt van de standaard Java-klassen. In dit deel worden de studenten vertrouwd gemaakt met belangrijke OO-begrippen. Aan het eind van dit deel wordt ook de gegenereerde code begrepen. Pas daarna gaan de studenten zelf klassen definiëren en komen traditionele programmeertaalconstructies als expressies, keuze-opdrachten, en herhaling aan bod.
De cursus is nu nog in ontwikkeling, maar zal vanaf dit najaar in beide instituten gebruikt worden.


Bijlagen

Van algoritme naar Visual Basic code met PSD & Code

Sinds een aantal jaren verzorg ik het Visual Basic practicum aan eerstejaars studenten Industrieel Ontwerpen. Deze omvatte 5 oefeningen van elk 4 uur waarin de studenten in paren samenwerken. De eerste oefening bestond uit het maken van een kennismakingsoefening waarin met name de visuele aspecten van Visual Basic aan bod kwamen. In de overige oefeningen werkten ze aan één eindopdracht. De overgang tussen de kennismakingsoefening en de overige oefeningen – waarin meer geprogrammeerd moest worden – was dusdanig groot dat er behoefte bestond aan een hulpmiddel bij het construeren van met name de code die geschreven moest worden.
Daartoe is het afgelopen jaar het computerprogramma PSD & Code ontwikkeld dat van een algoritme niet alleen de Visual Basic (3.0) code genereert, maar ook een programmastructuurdiagram (PSD). Door inspectie van de code en het PSD kan de student een indruk krijgen van de weergave van besturingsstructuren in zowel PS D’s als in Visual Basic code, waardoor hij een beeld krijgt van de omzetting die moet worden bedacht. De code kan direct als module in Visual Basic (3.0) worden ingevoerd en gebruikt. Tijdens de lezing zal ik een demonstratie van de mogelijkheden van dit programma laten zien.


Bijlagen

1997_DeHoogh_samenvatting.pdf

Practicumondersteuning en Teleleren op basis van audiovisuele schermopnamen

Inleiding
Sinds enkele jaren hebben wij ervaring opgedaan met het gebruik van audiovisuele schermopnamen. Deze opnamen zijn gemaakt m.b.v. Lotus Screencam™. In het navolgende zullen we van filmpjes spreken.
Beschrijving van de huidige situatie in het practicum
Studenten die bij ons kennismaken met de ontwikkelomgeving DELPHI™ kunnen dat doen in een van onze practicumzalen onder begeleiding van een docent, of thuis, waarbij de begeleiding van de docent voornamelijk via e-mail, telefoon of discussiegroep verloopt. De cursus bestaat ruwweg uit 6 series triplets. Een triplet bestaat uit een lesje, een opgave en een antwoord. De student speelt een lesje (dit is dus een screencam filmpje) van ongeveer 5 minuten af. Dit lesje behandelt in principe slechts één onderwerp, bijvoorbeeld: “wat is een event handler”? Als de student het lesje bekeken en beluisterd heeft gaat hij/zij een opgave bekijken en beluisteren. Doorgaans betreft de opgave een opdracht om een kleine applicatie te bouwen. In het opgave filmpje wordt dan getoond welk eindresultaat van de student verlangd wordt. Het opgave filmpje duurt ongeveer 2 minuten. De student start nu DELPHI en gaat de opgave maken. Voor de meeste opgaven mikken wij op ongeveer 25 minuten. Als de student vastloopt kan hij/zij het antwoord filmpje geheel of gedeeltelijk bekijken en beluisteren. Als dit niet voldoende is of als de computer vastloopt of iets dergelijks kan de student assistentie van de docent inroepen. De thuiswerkende student kan via het net met de docent zoeken of telefoneren. De studenten in de zaal gebruiken uiteraard hoofdtelefoons en de studenten thuis gebruiken doorgaans luidsprekerboxen. De filmpjes zijn vanuit een normaal MS WINDOWS™ HELP-bestand op te starten. De student kan dus door het helpbestand bladeren maar ook op sleutelwoord zoeken. Een student die bijvoorbeeld zoekt op “private” vindt dat lesje 3 uit serie 4 en het antwoord op opgave 3 uit serie 4 de visibility specifier “private”behandelen.
Ervaringen en discussie
De studenten die thuis de cursus volgen hebben over het algemeen wat meer ervaring met computers. Ze zijn positief over de aanpak maar zouden eigenlijk een “snellere cursus” moeten hebben. Het seriële karakter van een filmpje dwingt de student te blijven luisteren ook al is de aangeboden informatie gedurende enkele minuten overbodig.
Dit nadeel kan met Screencam97™ deels opgeheven worden. De thuis studeerders hebben eigenlijk alleen ondersteuning nodig van de docent in de opstart fase wanneer de cursus geïnstalleerd moet worden. De installatie procedure wint inderdaad geen schoonheidsprijs. Er wordt daarom gewerkt aan een thin-client versie. De studenten die de cursus in de practicumzaal volgen zijn overwegend MSC studenten. De MSC-ers aan de LU komen uit 57 landen. Hoewel niet elke MSC-er het practicum DELPHI volgt is die diversiteit zeer groot. Ongeveer de helft van de studenten kan het practicum doorlopen zonder enige hulp van de docent. De andere helft heeft echt hulp van de docent nodig, maar van degenen die hulp nodig hebben heeft bij ongeveer de helft deze hulp geen merkbaar effect. Anders gezegd: ongeveer een kwart haakt af of zakt voor het examen en dit zijn juist de mensen die ook gedurende het practicum bijna alle aandacht van de docent gevraagd hebben. In een aantal gevallen kunnen factoren die het leerproces bemoeilijken getraceerd worden. Studenten die bijvoorbeeld gewend zijn van rechts naar links te lezen hebben veel meer moeite om zich binnen het scherm te oriënteren.
Conclusies en toekomstplannen
We zijn er van overtuigd dat schermopnamen zoals bijvoorbeeld die welke met LOTUS SCREENCAM™ gemaakt kunnen worden, indien voorzien van gesproken toelichting, een zeer krachtige component in computer ondersteunde zelfstudie modulen kunnen zijn. Veel van de huidige tekortkomingen zijn van technische aard en aan oplossingen wordt gewerkt. Probleem is het onderhoud van de cursus: daarom ontwikkelen we nu een relationele database en laten dan automatisch WEB pagina’s vanuit deze database genereren.


Bijlagen

Modelling business processes for the purpose of redesign and reengineering

There exist two generic system views, that are both well-known and widely applied: the functional view and the constructional view. It is of paramount importance to recognize that they serve different purposes, and they are not interchangeable. The functional view is the prevailing view in the natural and social sciences. It consists of conceiving a system as a black-box with input and output variables. Understanding a system in this functional view comes down to knowing the relationship between the input and output variables. What one observes as the sequence in time of output values, is commonly called the behavior of the system.
The constructional view is the prevailing view in all engineering sciences. It consists of conceiving a system as a white-box, i.e. a collection of elements that influence each other by means of interaction (i.e. directly activating each other) and interstriction (i.e. constraining each others “freedom of movement”). What one observes as the sequence in time of actions exerted by the elements, is commonly called the operation of the system.
If one only uses a system, with a given functionality and performance, it suffices to have a functional understanding of the system. However, if the functionality or the performance has to be changed, one needs to “open” the black-box and change the “internals” of the system. This requires a constructional understanding of the system. Obvious, trivial, one is inclined to say. Surely, these remarks ought to be obvious and trivial, but unfortunately they are not. Just look at how people, both organisation experts and information systems professionals, currently proceed when redesigning and re-engineering business processes! Do they have an appropriate understanding? Do they know how an organisation really works, how it is “constructed”? The answers to these questions are straight no’s.
What I will present is a new constructional view on organisations, i.c. business processes, that is rooted in the Speech Act Theory (Searle) and the Theory of Social Action (Habermas), and that has evolved now into a successful methodology for the redesign and re-engineering of business processes.


Bijlagen

Elektronisch mentoraat

Afstandsonderwijs in de vorm zoals dat door de Open Universiteit (OU) wordt aangeboden, heeft sinds de oprichting van de OU in 1984 geleid tot het ontwikkelen van een groot aantal leermiddelen op het gebied van computer ondersteund onderwijs (COO). Studenten gebruiken deze leermiddelen, evenals een aantal andere voorzieningen, voornamelijk in een van de achttien studiecentra. Steeds meer studenten beschikken tegenwoordig over apparatuur die hen in staat stellen COO-materiaal thuis te gebruiken. Het ligt voor de hand om ook andere voorzieningen die studiecentrumgebonden zijn, tevens thuis aan te bieden. In dat kader zijn en worden experimenten uitgevoerd met betrekking tot het via internet begeleiden en aanleveren van cursussen.
Het gebruik van informatie- en communicatietechnologie (ICT) bij de begeleiding van studenten heeft lang in de schaduw gestaan van de ontwikkeling van cursusgebonden leermiddelen. Dankzij de beslissing met ingang van het studiejaar 1997 -1998 het bestaande palet van begeleidingsvoorzieningen voor studenten uit te breiden met een cursusonafhankelijk structureel mentoraat, is het toepassen van ICT daarbij in het volle licht geplaatst.
Het experiment elektronisch mentoraat is opgezet met het doel ervaring op te doen en gegevens te verzamelen ter voorbereiding van een OU-brede invoering. Ruim honderd Nederlandse en Vlaamse studenten, bijgestaan door vijftien mentoren hebben gedurende de periode oktober 1995 – december 1996 deelgenomen aan het experiment. Studenten en mentoren waren afkomstig uit vier faculteiten: Cultuurwetenschappen, Natuurwetenschappen, Rechtswetenschappen en Technische wetenschappen (informatica). In de lezing zal worden ingegaan op de resultaten wat betreft de functies van het elektronisch mentoraat: informatievoorziening, studievoortgangsbewaking, stimulering contact met medestudenten, inhoudelijke begeleiding en ontwikkeling van studievaardigheden. Tevens zal aandacht besteed worden aan de gedachtenvorming over de taken van een (elektronische) mentor. De mogelijkheden voor het aanleren van sociale en communicatieve vaardigheden zijn ook onderzocht. De resultaten van de deelnemers op dit punt zijn nogal wisselend, maar er is meer inzicht verkregen over de methodiek en voorwaarden bij het aanleren, respectievelijk verder ontwikkelen van deze vaardigheden als deel van de academische vaardigheden. Tot slot zal een overzicht worden gegeven van de invoeringstrajecten van het elektronisch mentoraat die thans zijn uitgezet door de verschillende faculteiten.


Bijlagen