Augmented reality is een term die al sinds begin jaren negentig bestaat. Deze term is voortgekomen uit virtual reality: augmented reality vult de realiteit aan, terwijl bij virtual reality de realiteit compleet wordt vervangen.
Er zijn sinds kort brillen beschikbaar waar normaal doorheen gekeken kan worden, terwijl tegelijkertijd ook de virtuele objecten gezien kunnen worden die op deze manier de realiteit aanvullen. Er is een prototype dat een toepassing van augmented reality demonstreert in stedelijk gebied, met als doelgroep: toeristen. Met het prototype kan een toerist navigeren naar interessante punten, en eenmaal aangekomen ook informatie ontvangen over deze objecten.
Kansen voor het e-book in het hoger onderwijs
De komende jaren komen allerlei varianten van e-booklezers (dat wil zeggen apparaten die geoptimaliseerd zijn voor het lezen van teksten zoals kranten of boeken) op de markt. Deze apparaten gaan voor een deel traditionele boeken en andere papieren documenten vervangen. Onderwijsorganisaties zullen beleid moeten ontwikkelen over de manier waarop zij van de mogelijkheden van dit medium gebruik maken in hun onderwijsprocessen.
Bijlagen
Verslag van de ronde tafel ‘Informatiebeleid en Hoger Onderwijs’
Dinsdagmiddag 17 april 2007 vond in het Maagdenhuis te Amsterdam de Ronde Tafel ‘Informatiebeleid en Hoger Onderwijs’ plaats. Deze Ronde Tafel werd georganiseerd door Verdonck, Klooster & Associates tijdens het Nationaal Informatica Onderwijs Congres (NIOC) 2007. Luc van der Pijl sprak over het bottom-up verandertraject voor de informatievoorziening bij de Hogeschool van Amsterdam. Daarna vertelde Menno Scheers over de manier waarop de informatiestrategie bij de Vrije Universiteit op een top-down manier tot stand was gekomen.
Bijlagen
ZuydRobotics
De persoonlijke leeromgeving, ZuydRobotics, is een bron binnen de Hogeschool Zuyd van waaruit verschillende topics geraakt worden middels allerlei projecten. De topics zijn:
. Inspiratie voor de huidige studenten,
. Educatie voor de huidige studenten,
. Promotie naar o.a. MBO’s, middelbare scholen en basisscholen,
. Subsidie die gegeven kan worden uit overheidssteun,
. Coöperatie intern tussen opleidingen en faculteiten maar ook extern tussen andere onderwijsinstellingen en bedrijfsleven en
. Innovatie die bereikt wordt doordat we proberen om de grenzen (rondom Robotica) te verleggen.
In een voordracht presenteren we dit initiatief van en door studenten. In een workshop geven we een demonstratie met een aantal Lego Mindstorm NXT Robots.
Bijlagen
ZuydRobotics
Demo en workshop met Lego Mindstorm NXT Robots aansluitend aan de presentatie van het project.
Bijlagen
Vergelijkende studie van enkele datamodellen
Het landelijke examen voor de AMBI-module “Gegevensanalyse, -modellering en -beheer” (HB.2) van de Stichting EXIN, is gebruikt voor een analyse van vier gegevensmodeltypen, te weten: het relationele model, het semantische model, het EAR model en het binaire model. Vergelijking van de modeltypen was mogelijk omdat het examen een groot aantal kandidaten had met dezelfde vooropleiding op het gebied van gegevensmodellering.
Het HB.2 examen bestaat in het algemeen uit een gedeelte met meerkeuzevragen betreffende de gehele stof (met vragen homogeen verdeeld over de modeltypen) en een omvangrijke ontwerpvraag waarbij op basis van een gegeven casusbeschrijving een gegevensmodel moet worden ontworpen volgens een van de vier aangegeven modeltypen. Voor het examen geldt een totale uitwerktijd van 3 uur waarvan 75 minuten voor de ontwerpvraag. Normaliter is er bij de ontwerpvraag geen keuze. Bij het examen van 3 mei 1994 mocht de kandidaat echter zelf het modeltype voor de ontwerpvraag kiezen. Dit maakte het mogelijk om de resultaten bij de verschillende modeltypen met elkaar in verband te brengen.
Met medewerking van de Stichting EXIN zijn na het examen enkele analyses op de resultaten uitgevoerd met enkele opvallende conclusies over de modeltypen.
Bijlagen
Noodzaak van communicatie-onderwijs: open deur of illusie?
Gedurende de opleiding is communicatie een makkelijk vak. In de praktijk blijkt communicatie echter vaak een enorm probleem. Wie kent er geen verhalen over bijvoorbeeld het falen van informatiesystemen – niet door een gebrek aan vakkennis maar door een gebrekkige communicatie? In hoeverre is er sprake van een falend onderwijs (in communicatie) en wat valt daaraan te doen? In deze samenvatting beperk me ik tot een voorbeeld over een onderdeel.
Bijlagen
Informatica in 2015: een blik in de toekomst
Wim Hendriksen heeft meegewerkt aan de PROGRESS Roadmap voor Embedded Systemen. Deze roadmap geeft samen met de ITEA roadmap een blik in de toekomst van software intensieve systemen. Wim schetst de trends uit deze roadmaps en vraagt zich af wat de gevolgen zijn voor het informaticaonderwijs in de komende jaren. Wat zijn de sterke punten en de zwakke punten van Nederland, waar zijn we goed in en waar zijn we slecht in.
De Embedded Systems roadmap gaat vooral in de richting van het ontwerp van geïntegreerde elektronica en software. Binnenkort kun je voor twee euro een chip kopen die GSM, GPS, MP3, Wifi, spraak en Bluetooth begrijpt. Hoe ontwerp je hier met software een zinvol ding van en wat had je dan in de hardware moeten inbouwen om het echt goed te laten werken. Wat moet er gebeuren in de wereld van softwareontwikkeling om elke drie maand een nieuw apparaat volgens de nieuwste mode te laten zien.
De ITEA roadmap beschrijft een toekomstige wereld waarin alle apparaten om ons heen met alle apparaten kunnen praten. Een nieuw apparaat moet integreren met alle bestaande apparatuur in het netwerk. Elk apparaat kan op elk moment uit het netwerk verwijderd worden waarbij de rest zich maar moet zien te redden.
Deelnemers worden uitgedaagd om met deze toekomstvisie te onderzoeken waar het informaticaonderwijs hiaten vertoond en wat we moeten brengen om onze studenten een vak te leren waar ze mee vooruit kunnen.
Bijlagen
Reactie op winnend essay van Computablewedstrijd: “Van computermachinist tot adviseur voor beslissers”
In het in mei 1994 verschenen rapport van de visitatiecommissie HBO-informatica opleidingen schrijft de commissie dat de traditionele bedrijfskundig informaticus de volgende deskundigheid heeft: “Kennis en beheersing van informatie-analyse en gegevens- en procesanalyse-methoden welke gebruikt worden bij het analyseren van informatiestromen en het opstellen van gegevensmodellen. Het doel van de inzet van deze deskundigheid is het formuleren van de functionele en kwaliteitseisen waaraan het concrete systeem moet voldoen.”
Dat klopt, en op dit moment wordt de bedrijfskundig informaticus voorgehouden dat hij vooral (ook) op de hoogte moet zijn van de bedrijfsprocessen waar zijn opdrachtgever mee te maken heeft, zodat hij vruchtbaar kan meedenken en de informatiebehoefte van de gebruiker kan vertalen naar concrete systeemeisen. Hij moet zeker geen knoppenduwer en apparatenschuiver (de ‘computermachinist’ van de Boer?) zijn maar, voorzien van grote communicatieve vaardigheden, de gebruiker helpen te verwezenlijken wat hij wil.
De Boer zal toch niet déze informatiekundige bedoelen? Hij schrijft ‘niet alleen het aandragen van computers is van belang, de automatiseerder dient in samenwerking met de gebruiker het hele beslissingsproces te analyseren en vanuit zijn deskundigheid aanbevelingen te doen voor het verbeteren daarvan’. Dat lijkt toch wel erg op wat hierboven beschreven is. De visitatiecommissie schrijft echter in hetzelfde rapport dat deze rol in onbruik zal geraken en dat het onderwijs daar niet meer op mag worden afgestemd.
Ik ben het eens met de Boer als hij schrijft dat gebruikers niet even een toepassing voor zichzelf kunnen bouwen. Daarmee hebben we echter nog maar een heel klein deel van het werkgebied van automatiseerders bestreken. Het probleem zit er in dat in het stuk van de Boer geen onderscheid gemaakt wordt tussen gebruikers en, wat wel genoemd wordt, toepassers. Oosterhaven beschrijft toepassers als volgt (Automatiseringsgids januari 1995): ‘sophisticated gebruikers uit een ander primair vakgebied, met een grondige kennis van informatica’. Oosterhaven noemt als de taken van toepassers andere: ‘Het ontwerpen en implementeren van werkprocessen in organisaties met de bijbehorende informatica-applicaties’ en ‘Het definiëren van de gewenste informaticavoorzieningen (hardware, software en communicatiemiddelen)’ .
Zijn conclusie: ‘De omgeving waarin de gebruiker opereert wordt integraal, dus inclusief de informatica elementen, ontworpen en beheerd door de toepassers, die zich daarbij gesteund weten door de informaticaspecialisten’ . Dat is precies wat de visitatiecommissie ook voorspelde: de definiërende en specificerende taak komt steeds meer te liggen bij de opdrachtgever, de niet-automatiseerder. Daarom ben ik het niet eens met de Boer als hij stelt dat ‘de toekomst van de automatiseerder ligt in het trajectgedeelte dat voorafgaat aan de implementatie.’
Vreven, strategisch adviseur voor IT bij Rabobank Nederland, ziet een grote toekomst weggelegd voor wat hij noemt bedrijfsinformatici. ‘Deze beschikken over een brede bedrijfs- en IT-kennis en vertalen business-vragen dicht bij de gebruiker in creatieve IT-toepassingen’. Volgens Vreven zal het aantal bedrijfsinformatici toenemen tot 70% van de totaal benodigde informatici. Die bedrijfsinformaticus, is ‘in de eerste plaats business-georiënteerd met een business-domein specialisatie en heeft daarnaast een behoorlijk inzicht in IT’.
Het interessantste traject, het voortraject wat nu traditioneel de plaats is waar carrière-ruimte te vinden is voor de automatiseerder, zal dus het terrein worden van de domein-specialist, de toepasser. Wat rest er dan voor de automatiseerder pur sang? In ieder geval minder plaats. lijkt me. Ook Oosterhaven ziet dat zo: ‘De informatica maakt integraal deel uit van (alle) producten en processen. Dus productontwikkeling is applicatie-ontwikkeling en procesontwerp is applicatie-ontwerp. Dit werk zal daarom gebeuren door commerciële, productie- en distributiedeskundigen in de desbetreffende branche’ .
Wat mij betreft is het duidelijk dat automatiseerders niet zo heel gerust kunnen zijn als het om de toekomst van hun werkterrein gaat. Ik heb alvast mijn heil gezocht in het opleiden van toepassers.
Bijlagen
Nieuwe docenten door nieuwe technologieën?
Naar veranderingen in de samenleving kan vanuit vier verschillende – onderling samenhangende – invalshoeken gekeken worden:
– de structuur van de samenleving, de organisatie van de arbeidsmarkt verandert
– de cultuur verandert
– er zijn veranderingen op persoonlijk vlak
– de natuur wordt steeds meer beheerst met steeds veranderende hulpmiddelen.
Informatie- en communicatietechnologie spelen in deze ontwikkelingen een belangrijke rol. Centrale sturing met decentrale beslissingen is zonder snelle communicatie niet mogelijk. Consumenten worden mondiger doordat zij over meer informatie beschikken, vergelijkingen kunnen maken, kunnen controleren. Andersom is er meer over consumenten bekend, waardoor een betere afstemming door producenten kan plaatsvinden. Bovendien biedt de moderne technologie de mogelijkheid om kleinere series te maken, meer dan in het begin van de industrialisatie het geval was. Marktgerichtheid krijgt echt betekenis, zozeer dat zelfs van ketenomkering wordt gesproken: niet langer brengt de producent producten op de markt waarvan maar afgewacht moet worden of ze verkoopbaar zijn, maar gaat de vraag van de consument voor de productie uit.
Het onderwijs verandert parallel aan deze ontwikkelingen, en moet ook veranderen om leerlingen in staat te stellen de ontwikkelingen het hoofd te bieden. De parallel met de consumentenmarkt kan doorgetrokken worden:
– leerlingen zijn mondiger geworden; zij onderhandelen meer, stellen vaker de autoriteit van de docent ter discussie, onder meer omdat zij zelf overal de feiten kunnen vinden, de docent heeft niet langer het kennismonopolie
– de arbeidsmarkt vraagt anders opgeleiden, die zich flexibel opstellen en bereid zijn te blijven leren
– het onderwijsaanbod dient steeds meer afgestemd te zijn op individuele leerlingen; hier kan de informatietechnologie ook een rol spelen, bijvoorbeeld door leerlingvolgsystemen
– technologie biedt de mogelijkheid kleine series te maken: bijvoorbeeld snelle aanpassing lesmateriaal dat toch al in de computer zit.
Net zoals de markt meer klantgericht wordt, moet het onderwijs meer leerlinggericht worden. De docent wordt absoluut niet overbodig; zijn of haar rol wordt wel anders. Computers en Internet nodigen leerlingen uit tot activiteit. Zij gaan zelf op zoek naar informatie, wisselen ervaringen met anderen uit. Internet is behalve (eindeloze) informatiebron vooral communicatiemedium. Leerlingen kunnen daardoor ook in discussie gaan met docenten, ook al omdat diens kennis controleerbaar wordt.
Docenten moeten hier mee om kunnen gaan, er tegen kunnen. Zij zullen vooral moeten structureren en begeleiden, meer dan doceren. Toch wil de docent tevens de expert zijn. Hierbij kan Internet ook helpen omdat ook docenten er informatie kunnen vinden en via Internet ervaringen kunnen uitwisselen met anderen. Verder kan de school zelf als aanbieder optreden en een Internetsite opzetten, waar dan weer leerlingen bij betrokken kunnen worden. Op die manier kan de school een leeromgeving worden, die leerlingen uitnodigt tot activiteit en hen voorbereidt op een onzekere toekomst.
