Winproof-Player, examensoftware onder Windows

MasterTools voor Windows is een totaal pakket van software ontwikkelt door EXIN voor het samenstellen en het afnemen van examens. MasterTools bestaat uit de Winbase, een computergestuurde databank voor examenvragen waarin examenmakers hun vragen rechtstreeks kunnen ontwikkelen en Winproof, de interface die de examenkandidaat voor zich krijgt. Deze interface wordt u tijdens onze presentatie op het NIOC congres gepresenteerd.
EXIN neemt als hèt nationaal exameninstituut voor informatica al sinds 1989 computergestuurde examens af. Dit gebeurde tot nu toe met Masterproof, een DOS applicatie waarmee meerkeuzevragen konden worden gesteld en beantwoord, soms gebruik makend van extra casus-teksten en soms van schematische tekeningen.
Om de grafische mogelijkheden van de huidige PC beter te kunnen benutten heeft EXIN Winproof voor Windows ontwikkeld. Deze software benut de grafische effecten van de moderne PC met onder andere extra vensters voor casus-teksten en bitmap plaatjes. Bovendien kunnen behalve de bekende multiple-choice vragen een heleboel nieuwe vraagvormen benut worden. Zo zijn er ‘aanwijsvragen’, sorteer- en selecteervragen, matrixvragen en meer. AI deze vraagvormen kunnen automatisch nagekeken en beoordeeld worden. Ook bestaat de mogelijkheid voor open vragen waarbij de kandidaat het antwoord in een tekstvenster intypt. Hierbij is een beoordeling achteraf door een examinator noodzakelijk.
Stichting EXIN gebruikt deze software reeds enige maanden voor haar eigen examen. De interface van de examensoftware is voor die tijd door meer dan 50 mensen met verschillende gebruikerservaring op het gebied van computers getest, waarbij het gebruikersgemak uitermate positief beoordeeld werd. Dit was een belangrijke voorwaarde voor EXIN, tijdens het examen moet immers de kennis van het onderwerp worden getoetst en niet de beheersing van een examentooI.
De software is zeker niet alleen voor informatica examens interessant, maar voor alle examens die computergestuurd afgenomen kunnen worden. De demonstratie van Winproof toont de interface van de software met al haar nieuwe vraagvormen. Het volledige software pakket behelst echter veel meer. Behalve een interactieve database voor het opstellen en onderhouden van examenvragen en examens zijn er complete modulen in voor cursisten/kandidaten administratie, en docenten en examinatoren beschikbaar. Ook bestaan er redelijk eenvoudige mogelijkheden tot koppeling aan bijvoorbeeld al bestaande geautomatiseerde administratiesystemen.
Gedurende het gehele congres kunnen wij u MasterTools, (Winbase en Winproof) presenteren. Het pakket is dermate uitgebreid dat wij ons tijdens de algemene presentatie beperken tot Winproof. Voor meer informatie kunt u tijdens het NIOC congres onze stand bezoeken, vóór of na het congres kunt u voor meer informatie contact opnemen met Rob Smit, 030 – 2344812.


Bijlagen

IIM – Voldoen aan de informatiseringsvraag zonder de behoeften in detail te kennen

Modern informatiseren is meer dan informatiesysteemontwikkeling en -beheer. De aanpak van veel informatici, en in het onderwijs is dat niet anders, is soms nieuw of vernieuwend, maar blijft zich baseren op inmiddels min of meer achterhaalde principes. Want hoe rapid of evolutionair moderne methoden ook zijn, meestal is sprake van versnelde of anders gepraktizeerde wijzen van oude methoden.
IIM (Informatie-Infrastructuur Management) is een methode die op actueel denken aansluit:
– bedrijfsprocesgerichtheid, maar dan wel permanent;
– procesgericht kijken naar informatiseren;
– aandacht voor het gebruik en beheer voorop;
– beheersing minder door fasering dan wel door procesbeheersing.
In de praktijk is inmiddels ervaring opgedaan met IIM:
– als ingevoerde methode;
– als mindmodel;
– als op modelleringsmethoden aansluitende informatiseringsaanpak etc.
Vanuit inmiddels opgebouwde praktijkervaring wordt IIM als richtinggevende denkwijze besproken en uiteen gezet.


Bijlagen

Stimulering kennis en kunde met betrekking tot beheer van de informatievoorziening binnen het onderwijs

Het exploiteren en beheren van de informatievoorziening binnen een organisatie neemt meer en meer toe in complexiteit. De oorzaak hiervan is te vinden in de enorme groei van de betrokken componenten. Daarnaast speelt de heterogeniteit tussen de componenten een belangrijke rol. Bij het beheer van informatiesystemen ondervindt men vaak problemen door het ontbreken van kennis en kunde op dit gebied. De Haagse Hogeschool Sector Informatica heeft in samenwerking met IBM en ondersteund door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen een project opgezet, waarin een push gegeven moet worden aan het onderwijs op het gebied van beheer. In een gesimuleerde organisatie worden informatiesystemen ingezet voor de productie. Hiernaast wordt een ontwikkel-, test- en beheeromgeving opgezet om de informatievoorziening binnen de organisatie optimaal te verzorgen. Uit deze simulatie ontstaat kennis en kunde ten aanzien van beheeraspecten.
In de presentatie wordt ingegaan op de opzet van dit project en de te verwachten resultaten met betrekking tot het onderwijs.


Bijlagen

The Virtual Classroom

De wereld verandert …
Op dit moment bevindt de wereld zich in een fase waarin veranderingen elkaar steeds sneller opvolgen. Bedrijven zitten als het ware ingeklemd tussen:
1. de Technology Push: technisch gezien wordt steeds meer mogelijk en volgen de ontwikkelingen elkaar steeds sneller op; snellere computers, fraaiere ontwikkeltools en een explosieve groei in de telematica, en
2. de Business Pull: klanten eisen meer kwaliteit, ruimere dienstverlening, snellere service en grotere klantvriendelijkheid.
De organisatie zal haar producten en diensten permanent moeten aanpassen om aan de steeds veranderende vraag van de klant te voldoen en de concurrentie voor te blijven. Logisch gevolg hiervan is dat de ondersteunende systemen een steeds snellere aanpassing en/of vervanging eisen. Dit vraagt vervolgens om een adequate ontwikkelomgeving en medewerkers met de juiste competenties voor effectief en efficiënt gebruik daarvan.
Het onderwijs dient op haar beurt hierop in te spelen door inhoud en vorm van haar leerprocessen continu te optimaliseren om aansluiting met de behoefte van het bedrijfsleven te kunnen realiseren. De inzet van informatie- en communicatietechnologie (ict) speelt hierbij een grote rol.
Opleiden morgen: de geïntegreerde werk-/leerplek
Opleidingen in zowel het reguliere onderwijs als in het bedrijfsleven zijn gebaseerd op reële praktijksituaties. De leerling of medewerker is continue aan het leren door het uitvoeren van opdrachten of werkzaamheden. Voor het reguliere onderwijs vraagt dit afstemming en integratie met het bedrijfsleven. Het bedrijfsleven moet zorgen voor een omgeving waarin ruimte is voor leren. In plaats van een medewerker die op een gepland aantal momenten een opleiding volgt zal de medewerker tijdens het productieproces de ruimte (in tijd) en middelen moeten hebben om te kunnen leren. .
The Virtual Classroom is een didactisch en technologisch concept gebaseerd op een open infrastructuur. Het biedt beide mogelijkheden:
– het volgen van een opleiding
– het geïntegreerd leren en werken
Bij een gebrek aan kennis raadpleegt de medewerker direct een kennisbank, een elektronisch handboek of een helpdesk. Door hem de juiste aansluitingsmogelijkheden te geven heeft hij alle kennis van de wereld direct onder handbereik. Hij gaat vervolgens direct verder met zijn werkzaamheden.
Videocommunicatie biedt de medewerker de mogelijkheid tot: audiovisuele communicatie, filetransfer en application-sharing. Wanneer de medewerker behoefte voelt aan inzicht overlegt hij, middels videocommunicatie vanaf de werk-/leerplek, met een collega of expert/coach, die hem direct antwoord kan geven of zelfs kan laten zien hoe hij zijn probleem kan oplossen. Hierna kan de medewerker direct weer aan het werk.
Als de medewerker een nieuwe vaardigheid nodig heeft kan hij vanaf zijn eigen werk-/leerplek direct een korte opleidingsmodule doorlopen, of via een aanmeldingsprogramma een langere opleiding aanvragen. Vervolgens bepaalt hij zelf (in overleg met de project- en lijnmanager) waar en wanneer hij deze opleiding gaat volgen (bijvoorbeeld ’s avonds, in zijn lunchpauze of ’s morgens tussen 08.00 en 09.00 uur). Het initiële deel van de opleiding is zo kort mogelijk. Uitwerking en toepassing van het geleerde vindt, on-line begeleid, on-the-job plaats.

The Virtual Classroom
The Virtual Classroom is een uniek didactisch en technologisch model dat antwoord geeft op de vraag naar optimale flexibiliteit in zowel het reguliere als bedrijfsgerichte onderwijs. Door gebruik te maken van een individueelopleidingsmodel en state-of-the-art educatieve en telecommunicatie technologiën maakt The Virtual Classroom het mogelijk om:
– korte en adequate leertrajecten (fit-for-purpose) afgestemd op de individuele behoefte (just-for-me) te realiseren
– op elk gewenst moment üust-in-time) op elk gewenste fysieke lokatie
– een breed scala aan informatiebronnen zoals kennisbanken, INTRANETten en INTERNET te raadplegen die up-to-date inhoud aanbieden
– professionalisering van individuen en groepen te faciliteren door onderlinge uitwisseling van kennis en ervaring (kennis- en competence management)
The Virtual Classroom is in feite een combinatie van het oude beproefde meester-gezel principe en nieuwe technologiën. In The Virtual Classroom wisselen de rollen van meester en gezel echter continu, afhankelijk van de situatie. The Virtual Classroom hanteert de leercyclus van Kolb en het individuele onderwijsleergesprek. Door daarnaast gebruik te maken van moderne iet-hulpmiddelen als videocommunicatie en application-sharing, interactieve multimediale trainingsmodules en de INTERNET technologie en interface ontstaat een nieuwe aanbiedingsvorm voor het onderwijs.


Bijlagen

Opleiding voor computerondersteunde werkuitvoering – ‘Inventarisatie-methode voor geïntegreerde ICT-kennis’

Binnen afzienbare tijd zal vrijwel iedereen in Nederland zijn werk ‘computer-ondersteund’ uitvoeren. AI deze werkers moeten worden opgeleid; het gaat daarbij om zo’n zeven miljoen mensen. Verschillende opleiders zijn daar reeds enige tijd mee bezig. De grote vraag is echter waartoe en hoe moet worden opgeleid. Het onderwijs is vooral gericht op kennisoverdracht en minder op bepaling van kennisbehoefte. Dit roept ook voor ICT -kennis de aloude vraag op of het onderwijs wel adequaat is afgestemd op de behoefte van het bedrijfsleven. In deze tijd van de ‘marktmaatschappij’ is deze vraag relevanter dan ooit.
Een groot deel van het beroepsonderwijs is in het kader van de Wet Educatie Beroepsonderwijs ‘WEB’ reeds doende deze vraag te beantwoorden. Uit de onlangs door OCenW gepubliceerde deelkwalificaties (Gele katerns) en enige reeds beschikbare eindtermen-documenten blijkt echter, dat daarbij niet veel aandacht wordt besteed aan ICT-kennis. Van de +/- 8.000 opgenomen deelkwalificaties vermelden slecht enkele tientallen computer-kennis. Er wordt kennelijk van uitgegaan, dat het Algemeen Vormend Onderwijs daar wel voor zal zorgen. Dit onderwijs verzorgt echter alleen generieke ICT-kennis die niet is afgestemd op de behoefte van de bedrijven. Deze laatsten willen de kennis meer aangepast aan de specifieke behoefte op de werkplek.
Tijdens het symposium ‘De grote uitdaging’, dat was gewijd aan de afstemming van het informaticaonderwijs op het bedrijfsleven, werd reeds de suggestie gedaan het verdere onderzoek te richten op de computer-gebruikers. De Stichting BKIB speelt daar nu op in door in samenwerking met de informatica-beroepsverenigingen een ‘Inventarisatie-methode’ voor ICT-kennis te ontwikkelen. Deze methode is primair gericht op kennis nodig bij het ‘Gebruik van ICT-middelen’. Dus niet op kennis nodig bij de ‘Ondersteuning van het gebruik’ en de ‘Inrichting van de voorziening’.
Uitgangspunt voor de methode is, dat de bedrijven de toepassing van ICT -middelen integreert in de primaire werkzaamheden. Dit houdt in dat ook de kennis van deze toepassing in die van deze werkzaamheden is geïntegreerd. het ligt voor de hand dat het onderwijs deze kennis dus ook geïntegreerd zal overgedragen. De docent zal daartoe over het geïntegreerde pakket moeten beschikken. Dit bevat de kennis over de uit te voeren werkzaamheden, de aan de orde komende bedrijfsobjecten en de te gebruiken ICT-middelen. De opleiders zullen deze geïntegreerde kennis moeilijk zelf kunnen bepalen; de bedrijven zullen deze kennis moeten aanleveren. Echter ook voor de bedrijven is dit niet eenvoudig, gezien het samenspel van de verschillende kennis-disciplines en de integratie van de kennis.
De enige manier om deze integratie te realiseren is de kennis te relateren aan het werkproces; dit vormt als het ware het kristallisatiepunt. Een complicatie daarbij is, dat deze verschillende soorten – kennis niet door één persoon worden beheerst. De methode moet dus zo worden opgezet, dat de verschillende deskundigen een op elkaar afgestemde rol kunnen spelen.
De door de methode aangegeven werkwijze betreft:
– de beschrijving van de werkprocessen
– de bij de inventarisatie te stellen vragen
– de wijze van definiëring van de kennis
– de opstelling van kennisbeschrijvingen
– het bepalen van de behoefte aan meta-kennis
– suggesties m.b.t. kennisoverdracht en -toetsing.
De methode wordt binnenkort uitgebreid getest in een aantal bedrijven. Indien deze test goed uitvalt zal de methode in de vorm van een handboek worden gepubliceerd.


Bijlagen

Toetstermen vak Logica/Relationele Algebra in HBO-doorstroomprofiel MBO

Er is momenteel een discussie gaande over de duur van de HBO-studie voor studenten afkomstig uit het MBO-onderwijs. De minister ziet een MBO-opleiding als een afgeronde beroepsopleiding (4-jarig). Wanneer een MBO-student na zijn MBO-opleiding kiest voor een HBO-opleiding, die in het verlengde ligt van de MBO-opleiding, dan moet de student deze opleiding succesvol kunnen afronden in drie jaar. In totaal wordt er dus gerekend met een studieduur van zeven jaar voor dit traject. Door een goede afstemming tussen de MBO- en HBO opleiding kan deze studieduurverkorting worden gerealiseerd. Voor informatica opleidingen (en dan met name de opleidingen Hogere Informatica) is dit van belang voor instromende studenten met als vooropleiding MBO-technische informatica.
Opdat MBO-studenten een HBO-studie succesvol in drie jaar kunnen voltooien, wordt van hun vooropleiding verwacht dat ze de student op een aantal punten extra kennis bieden ten opzichte van de HAVO-instroom. Vandaar dat de MBO-opleiding een HBO-doorstroomprofiel kent. In dit profiel is ruimte gereserveerd voor een drietal vakken: wiskunde, talen en een derde vak. Voor de richting elektrotechniek is het derde vak natuurkunde, voor de opleiding technische informatica wordt dit het vak ‘Logica en Relationele Algebra’.
De totale omvang van het HBO-doorstroomprofiel bestaat uit 540 studentbelastingsuren. Ieder vak krijgt aldus 180 uur toegewezen. Dit laat zich vertalen naar 120 contacturen. Voor een invulling van het HBO-doorstroomprofiel is de landelijke werkgroep HBO-doorstroom voor Elektrotechniek in het leven geroepen, die de toetstermen van de verschillende vakken ging opstellen onder auspiciën van het VEV. Per vak zijn subcommissies samengesteld met vertegenwoordigers vanuit de verschillende geledingen.
De opdracht aan de subcommissie ‘Logica en Relationele Algebra’ was te komen tot het opstellen van toetstermen voor het betreffende vakgebied. Als vertrekpunt voor de subcommissie golden de eindtermen van doorstroomkwalificatie DK4026. Hierin was de volgende grove afbakening vastgesteld: logica, digitale techniek, verzamelingenleer, gegevensmodellering en werken met relationele databases. Op basis hiervan zijn de toetstermen van het vak vastgesteld. In de presentatie zullen deze worden toegelicht.


Bijlagen

Informatiesystemen en informatieverwerking

Mensen krijgen door het gebruik van computers en via Internet steeds meer toegang tot grote hoeveelheden informatie. Vaak vinden mensen de informatie die ze zoeken niet, of zit de juiste informatie verstopt in andere informatie. Het op een simpele manier kunnen opvragen van informatie stelt zowel eisen aan de wijze waarop informatie wordt opgeslagen als aan de wijze waarop mensen hun zoekvragen formuleren. Vaak sluit de wijze van opslag niet aan bij de natuurlijke zoekstrategieën die mensen gebruiken.
In de bijdrage zal nader worden ingegaan op dit probleem. Aan de hand van een voorbeeld-project naar de opslag van gegevens over gestolen kunstvoorwerpen en de manier waarop bijvoorbeeld politie-agenten daarnaar zoeken, zullen een aantal problemen en mogelijke oplossingen worden verduidelijkt.


Bijlagen

De eerste en de tweede baan

De eerste baan en de snelheid waarmee deze verkregen wordt, is sterk afhankelijk van het “studiepakket” van de net afgestudeerde. De tweede baan is meestal afhankelijk van het succes waarmee de eerste werd vervuld. Een goede beroepsopleiding voorziet zijn studenten van kennis en vaardigheden om een eerste baan te bemachtigen en vervolgens voorspoedig door te groeien.
Om de kans op de (eerste) baan voor de afgestudeerde te vergroten, hebben veel opleidingen de weg van steeds verdergaande specialisatie gekozen. Het risico hiervan is dat het specialisme op het moment van afstuderen niet meer aansluit bij de vraag. Dit risico is groot om een aantal redenen:
– de arbeidsmarkt is wispelturig;
– de veranderingen in de vraag zijn groot en voltrekken zich snel;
– de tijd die verstrijkt tussen de eerste schetsen van het ontwerp van een curriculum en de dag waarop de eerste student afstudeert, is lang.
De oplossing van dit probleem kan niet gevonden worden door de trend voor te zijn. Immers, wie dat kan zit al snel op de Bahama’s en staat niet meer voor de klas. De oplossing moet dus gezocht worden in een schoolorganisatie die in staat is snel te reageren op marktontwikkelingen.
Een opleiding moet een eigen visie ontwikkelen op de benodigde kennis en vaardigheden om voorspoedig door te groeien naar de tweede baan en moet deze visie om kunnen zetten in relevante en toetsbare eindtermen.
In de presentatie komen “de eerste en de tweede baan” aan de orde gezien vanuit de adviespraktijk van M&I/Partners.


Bijlagen

Didactische intelligentie in multimediaprogramma’s

Voorbeeld Rekenen-wiskunde
Een goede docent is expert op twee gebieden. Hij weet niet alleen wat hij moet doceren, maar hij weet ook nog hoe hij moet doceren en hoe hij het leerproces bij de leerling kan begeleiden. Een ervaren docent anticipeert op fouten die vaak optreden, gaat na hoe fouten zijn ontstaan en geeft andere instructie, andere oplossingsstrategieën of andere opgaven. De meeste interactieve multimediaprogramma’s nemen slechts enkele onderwijzende functies van de docent over. De docent moet vaak de begeleidende functies bij het leerproces vervullen. Een “intelligent” multimediaprogramma kan net als een goede docent zelfstandig reageren op sterk verschillend leerlinggedrag. Het bevat niet alleen de kennis van een vakgebied, maar neemt ook begeleidende functies van de docent over.
Bij implementatie van multimediaprogramma’s in individuele opleidingstrajecten blijkt een groot struikelblok te zijn, dat docenten niet weten welke begeleiding bij een leerproces met interactieve multimedia nodig is. Zeker wanneer multimediaprogramma’s gebruikt worden in innovatietrajecten, waarbij het niet alleen gaat om nieuwe media, maar ook om het bevorderen van zelfstandig leren. De vraag rijst dan in hoeverre multimedia programma’s nog meer de begeleidende rol bij het leerproces van de docent kunnen overnemen.
Rekenen-wiskunde Interactief
CINOP heeft het afgelopen jaar ervaring opgedaan met het ontwerpen van een didactisch geavanceerd multimedia programma voor rekenen-wiskunde, genaamd Count on me. Deze serie wordt gemaakt in opdracht van ROC’s met medefinanciering van FIMMBO, ClNOP, Philips Media. Malmberg gaat de serie naar verwachting uitgeven. De Engine die hiervoor gebruikt wordt is een door Philips Research ontwikkelde intelligente tutor met de naam REAL-i. Deze tutor begeleidt en volgt de cursist op basis van prestaties. Door de mogelijkheid tot een audiovisuele presentatiewijze ontstaat er een natuurlijke dialoog met de cursist. De cursist krijgt adviezen en kan deze opvolgen, maar hij/zij kan ook zelf een andere leerweg kiezen.
De eerste Cd gaat over Procenten. Een testversie van de eerste Cd is gereed. Er zullen totaal 10 modulen ontwikkeld worden, bedoeld voor remediërend rekenen-wiskunde onderwijs, niveau 3 en 4 in het MBO of VO. Bijzonder in deze serie is dat de innovatie van de wiskunde didactiek geïntegreerd wordt met technologische innovaties. Het Freudenthalinstituut heeft de didactische innovatieve inbreng in dit project.
De tutor is domeinonafhankelijk en kan het hart vormen van een interactief multimediaprogramma voor elk ander leerstofdomein. Bovendien is de tutor platformonafhankelijk.


Bijlagen

CyberSpace Odyssee 2001, Lerarenopleidingen in de 21e eeuw

Opmaat
In augustus 1997 start de propedeuse van de Educatieve Faculteit Amsterdam (EFA), een samenwerkingsverband van de Faculteit Educatie van de Hogeschool Holland en de Faculteit Onderwijs en Opvoeding van de Hogeschool van Amsterdam. In de EFA worden de reeds in gang gezette activiteiten van beide faculteiten voor onderwijskundige vernieuwing van hun lerarenopleidingen met integratie van informatie- en communicatietechnologie (ICT) gebundeld, geïntensiveerd en versneld. Met het vizier op 2001 richt de EFA zich hiermee op het realiseren van een vergrote leerruimte waarin studenten zich middels ICT-rijke leerpraktijken (zowel de praktijk van het leren als het leren in de praktijk) ontwikkelen tot educatieve professionals in de 21e eeuw.
ICT-rijke leerpraktijken
De lerarenopleidingen van de EFA zullen in toenemende mate bestaan uit geschakelde ICT-rijke leerpraktijken. Een ICT-rijke leerpraktijk is een verzameling samenhangende ICT-rijke leeractiviteiten:
– waarin 1 of meer studenten
– in samenwerking met 1 of meer docenten
– vooraf gedefinieerde leerdoelen realiseren (in de vorm van een beoordeelbaar product)
– die voldoen aan de kenmerken van het ‘nieuwe’, zelfstandig leren.
Het geïntegreerd gebruik van ICT is een essentieel kenmerk voor nieuwe leerpraktijken om zelfstandig leren met maximale flexibiliteit in plaats en tijd voor het leren te ondersteunen. Een leerpraktijk bestaat altijd uit vijf componenten: (1) voorbereiden, (2) professioneel handelen en reflectie, (3) vergroten van de competentie (Ieren), (4) produceren en (5) nabeschouwen.
Vergrote leerruimte
Onderwijs wordt traditioneel grotendeels voor groepen gegeven en is aan sterk aan tijd en plaats gebonden. Naarmate studenten zelf meer verantwoordelijk worden voor hun eigen leren, zullen zij in toenemende mate moeten kunnen kiezen met wie, waar en wanneer zij hun leerpraktijk vorm geven. De reikwijdte van de dimensies personen, plaats en tijd van de traditionele leerruimte is hiervoor niet toereikend. Met ICT wordt de leerruimte vergroot waardoor een of meer personen, op een of meer plaatsen en op mogelijk verschillende tijdstippen kunnen leren. De vergrote, virtuele leerruimte is de cyberspace, waarbij ‘cyber’ wordt gezien als afgeleid van cybermetica, het besturen en regelen van je eigen omgevingssysteem. De studenten en docenten zullen deze cyberspace mede inrichten en vorm geven en er hun rondzwervingen maken bij het leren en om te leren, zelf sturend met een bestemd doel.
Uitrusting voor CyberSpace Odyssee 2001
De eigen verantwoordelijkheid van de student krijgt vorm middels een individueel portfolio-systeem, waarin onder meer leerdoelen, voortgang en resultaten worden vastgelegd. Studenten beschikken over een gereedschapsset (toolkit) in de vorm van een elektronische schooltas. Deze bestaat uit een laptop met netwerkkaart/modem die is voorzien van de nodige productie- en communicatiesoftware. Op (vrijwel) iedere willekeurige plek in de school zijn netwerkaansluitingen voor laptops beschikbaar en studenten en docenten hebben ook vanuit huis en elders toegang tot het netwerk op school. Studenten en docenten hebben de beschikking over makkelijk te gebruiken elektronische conferenties en groepssoftware. In het Centrum voor Leertechnologie van de EFA staan skills labs en productieruimten met geavanceerde, state-of-the-art apparatuur en software ter beschikking voor individueel gebruik door studenten en docenten. De bronnen en hulpmiddelen van de EFA als virtuele school zijn 24 uur per dag, 7 dagen per week elektronisch toegankelijk. De muren van de EFA zijn elektronisch geslecht en (stage)scholen en andere educatieve instellingen in de wijde regio maken deel uit van de vergrote leerruimte van de lerarenopleidingen van de EFA.
Vizier op 2001
Zoals aangegeven is het vizier gericht op 2001. Dan zal de lerarenopleiding voor de 21e eeuw volledig gerealiseerd zijn. De eerste aanzet, onder het motto EFA97, wordt gegeven met de propedeuse die in 1997 van start gaat. Dan zal een beperkt aantal ICT-rijke leerpraktijken met een grotere leerruimte gerealiseerd zijn. De ervaringen van de eerste generatie EFA-cybernauten zullen mede bepalend zijn voor het uiteindelijke resultaat.


Bijlagen