In de presentatie zal de rol van informatie in de communicatie-industrie centraal staan. De informatiemaatschappij is een netwerkmaatschappij. Vergeleken met nu zullen daarin zowel de ‘knopen’ (bijv. producenten, consumenten) als de relaties (bijv. gesprekken, afhankelijkheden) sterker worden. Zowel in het commerciële als in het publieke domein wordt gezocht naar nieuwe communicatievormen die dialogisch van aard zijn om vorm te geven aan deze sterker wordende relaties. Wat zijn de fundamentele bouwstenen van deze nieuwe communicatievormen? Informatietechnologie biedt gereedschappen en infrastructuur, maar betekenis moet lokaal bij de consument tot stand komen. Wat betekent het denken in termen van ‘lokale integratie’ voor ons denken over media en informatie?
Succesvol omgaan met digitale media betekent het ontwikkelen van strategische visie op informatie en media als dragers van relaties. Wederzijds vertrouwen is een noodzakelijke voorwaarde voor persoonlijke communicatie. Hoe kunnen organisaties hier vorm aan geven? Hoe gaan ze daar momenteel mee om en welke problemen ontstaan er momenteel in de dynamiek van veranderingsprocessen?
Wat betekent deze ontwikkelingen voor samenwerkingsprocessen tussen verschillende disciplines, of tussen verschillende afdelingen in organisaties? Wat kan het betekenen voor informatica-onderwijs?
In de presentatie wordt beschouwing gekoppeld aan concrete voorbeelden van ontwikkelde systemen, structuren en processen.
Marketing voor informatici
In en verkoopfuncties ontmoeten elkaar op een steeds hoger “know-how-“niveau. Klanten stellen steeds hogere eisen aan systeem-, software- en dienstenspecificaties, service en after-sales. Klanten worden “co-producers”. De onderscheiding tussen de klassieke verkoop (“sales”) en de eigentijdse marketing wordt steeds vager. Marketing en sales groeien naar elkaar toe in één functionele eenheid: relationele business-to-business marketing met strategische, commerciële en communicatieve componenten. Tegelijkertijd wordt de marketingfunctie meer en meer geïntegreerd in de organisatie. Voorheen relatief autonome werkeenheden zien zich steeds vaker gesteld voor marketing vraagstukken, zowel intern als extern.
De verhogingen van eisen en kwalificaties in commercieel/communicatief opzicht, gesteld aan HBO- en universitair geschoolde informatici, blijken duidelijk uit advertentie-onderzoek; naast een adequate informatica-vooropleiding wordt overal een selectie uit onderstaande opsomming in termen van “gewenste kennis en kunde” aan het functie-profiel toegevoegd: -flexibel-creatief-conceptueel-klantgericht-adviesvaardig-in staat tot het ontwikkelen van marketingplannen- etc.
Commerciële en communicatief goed geschoolde marketinginformatici blijken op de arbeidsmarkt structureel schaars.
Proactieve, 21ste eeuwse informatica-opleidingen zullen marketing structureel in hun opleidingsprogramma opnemen.
Er lonkt immers nog een perspectief aan de horizon: de informatica voor marketeers. Marketing verandert in hoog tempo van transactiegericht naar relatiegericht. Marketing wordt daardoor in toenemende mate afhankelijk van informatie-technologie, teveel om te begrijpen in een paar informaticalessen binnen een NIMA-opleiding. Organisaties worden als geheel klantgericht; en dat is veel meer van belang dan het hebben van een aparte marketingafdeling. Informatietechnologie zal daarbij de grote afhankelijkheidsfactor worden.
Marketinginformaticus wordt een nieuw beroep.
Bijlagen
Zes verschillende typen toepassingen van Informatie- en Communicatietechniek in de context van het Onderwijs
Eerder onderzoek (Van Reeken, 1995 en 1996) bracht zes verschillende typen toepassingen van Informatie- en Communicatietechniek (ICT) aan het licht. Deze zijn: automatiseren, informatiseren, concurreren, transformeren, anticiperen en ondernemen. Hoewel deze zes theoretische typen verschillende doelstellingen, organisatorische consequenties, baten en risico’s hebben, zullen toepassingen in de praktijk karakteristieken vertonen van een of meer van deze zes typen.
In dit artikel worden deze typen toegepast in de context van het onderwijs. Dit resulteert in zes verschillende maar specifieke ICT-toepassingsvormen, elk met hun eigen mogelijkheden en consequenties voor de onderwijsorganisatie. In essentie zien we dat ICT gebruikt kan worden om:
1. in het huidige onderwijsproces werk van de leraar/docent te vervangen door ICT, met de bedoeling het onderwijsproces efficiënter te maken.
2. het huidige onderwijsproces door de toepassing van ICT te verbeteren, met de bedoeling het onderwijsproces effectiever te maken.
3. het onderwijsproces middels toepassing van ICT aan te passen aan de ontwikkelde onderwijsstrategie, met het oog op een betere positie in de onderwijsmarkt.
4. het onderwijsproces middels toepassing van ICT en procesherontwerp te transformeren, met het oog op een hogere tevredenheid van student en/of leraar/docent.
5. door middel van een adequate ICT -infrastructuur en -architectuur snel op een toekomstige marktvraag te kunnen reageren, dus met het oog op flexibeler onderwijsprocessen.
6. door middel van de opgebouwde ICT -infrastructuur bestaande onderwijsproducten op nieuwe markten en/of nieuwe onderwijsproducten op bestaande (en nieuwe) markten te kunnen brengen.
Van Reeken A.J.: Justifying Investments in Information Technology and Systems: Dependence on the investment vision; Proceedings Third SISnet Conference, Universität Bern (CH), 18-19 September 1995
Van Reeken A.J.: Investeren in Informatietechnologie; in C. van Dam en Th. A. van Beek: Bedrijfskundige uitdagingen en de manager van nu; Kluwer Bedrijfswetenschappen, 1996.
Bijlagen
Informatiemanagement als nieuw en belangrijk onderwerp in het huidige bedrijfseconomische curriculum
Informatiemanagement wordt meestal gedefinieerd als het management van de informatiefunctie in organisaties. Management kan nader worden onderverdeeld in planning, inrichting en beheersing. Informatiemanagement kan aldus worden gezien als een complement van functies als Personeels- en Financieel Management. De toepassing van Informatie- en Communicatietechniek (ICT) in de huidige organisaties heeft een situatie opgeleverd waarin planning, inrichting en beheersing van de informatiefunctie gewenst zijn met het oog op een economisch gebruik van middelen en de voortdurende concurrentie.
Tot nu toe is deze functie in veel organisaties gemanaged door specialisten op het gebied van ICT die in die hoedanigheid in de organisatie omhoog zijn geklommen tot het huidige niveau. Omdat hun belangstelling voornamelijk gelegen is aan de aanbodkant van de ICT-applicatie, is er een groeiende behoefte aan Informatiemanagers die hun belangstelling vooral aan de vraagkant hebben. Omdat kleine en middelgrote organisaties niet in de gelegenheid zijn zowel iemand als controller, als iemand als informatiemanager aan te stellen, worden beide functies daar veelal in een persoon gecombineerd. Deze ontwikkelingen zijn een uitdaging aan de huidige bedrijfseconomische curricula. Een reactie moet ook niet al te lang op zich laten wachten. Dit geeft de huidige bedrijfseconomische opleidingen die nog alleen aandacht besteden aan zaken als informatiesysteemontwikkeling met ISAC, NIAM, ERA, SDM of soortgelijke methoden, de gelegenheid tot een noodzakelijke update. Niet omdat deze methoden op zich zelf onjuist waren, maar omdat bedrijfseconomen thans voor andere problemen gesteld worden dan in de 80’er jaren.
De ervaring bij de Universiteit Maastricht, waar enkele jaren geleden de cursussen informatieanalyse en ontwerp werden vervangen door cursussen informatiemanagement heeft geleerd dat zulke veranderingen mogelijk en nuttig zijn voor studenten interne berichtgeving (accountancy en management control).
Bijlagen
Open Universiteit: Begeleid studeren op afstand; voorbeeld van een groepsbijeenkomst
Doelgroep van de workshop:
Alle geïnteresseerden in materiaal en werkwijze van de Open Universiteit en iedereen die zich de eerste beginselen van procesmodellering wil eigen maken.
De Open Universiteit kent voor beginnende studenten Informatica een zg. Kennismakingstraject bestaande uit twee cursussen van ieder 3 studiepunten. De titels van deze cursussen luiden: Oriëntatie op informatica en Beginselen van informatica.
De Open Universiteit is een instelling voor academisch afstandsonderwijs. Dit betekent dat studenten zich zo veel mogelijk via zelfstudie de stof eigen maken. Het studiemateriaal van de Open Universiteit is specifiek hierop afgestemd. Bij een flink aantal cursussen worden ook begeleidingsbijeenkomsten georganiseerd (gemiddeld 5 per cursus). In die bijeenkomsten wordt door de studiebegeleider (docent) de samenhang van de stof gepresenteerd, worden inhoudelijke vragen van studenten beantwoord en wordt aan de hand van casussen geoefend met zaken die in de leerstof aan de orde gekomen zijn.
In de cursus Beginselen van informatica wordt het ontwerpen en implementeren van informatiesystemen behandeld volgens een object georiënteerde aanpak. In deze cursus komen ook een aantal technieken aan de orde die bij de meer traditionele methoden van systeemontwikkeling gebruikt worden. Een van die technieken is procesmodellering middels Data Flow Diagrammen (DFD).
Deze workshop laat de deelnemers kennismaken met het lesmateriaal van de Open Universiteit en laat zien hoe zo’n begeleidingsbijeenkomst er uit kan zien. Gekozen is om procesmodellering met DFD’s te nemen als onderwerp. Voor dit onderwerp is geen specifieke voorkennis vereist. De deelnemers van de workshop krijgen een kopie van het relevante cursusmateriaal. In kort bestek wordt het materiaal besproken (in de werkelijkheid bereiden studenten zich natuurlijk goed voor). Na het beantwoorden van eventuele vragen wordt een casus uitgedeeld en kort toegelicht. De casus bestaat uit een beschrijving van een bedrijfje. De deelnemers aan de workshop dienen op basis van de casusbeschrijving in groepsverband een contextdiagram (een DFD waarin het gehele systeem als één proces wordt weergegeven) en een eerste decompositie in de vorm van een DFD te maken.
De workshop wordt besloten met een korte bespreking van de casus.
Bijlagen
Technology Push vanuit de Universiteit naar het Bedrijfsleven
Professor Plasmeijer is in 1994 aan de Katholieke Universiteit Nijmegen benoemd tot bijzonder hoogleraar op het gebied van de Declaratieve Systemen. In het kader van zijn leerstoel richt hij zich met name op de overdracht van kennis tussen de onderzoekers aan de KUN en het bedrijfsleven ter bevordering van het gebruik van Functionele Programmeertalen in de dagelijkse industriële programmeerpraktijk. Hij is tevens betrokken bij een recent opgericht softwarebedrijf (HILT – High Level Software Tools) dat tot doel heeft deze kennistransfer te ondersteunen.
Professor Plasmeijer signaleert een aantal ontwikkelingen betreffende Informatica Techology Push vanuit de universiteit naar het bedrijfsleven.
Doordat het bedrijfsleven het onderzoek doorschuift naar de universiteit wordt er door de universiteit steeds meer onderzoek verricht dat marktgericht is. De universiteit is echter natuurlijk ook een instelling waar vrij onderzoek wordt verricht in de hoop dat zo nieuwe grensverleggende ideeën ontstaan. Die ideeën moeten dan wel omgezet worden in een werkbaar produkt.
Het probleem is dat de universiteiten heel ver moeten gaan in het aantonen dat de ideeën iets bruikbaars opleveren. Een prototype is niet genoeg, het produkt moet er al min of meer liggen. Dit probleem wordt versterkt door het gebrek aan fundamentele kennis bij het bedrijfsleven en de enorme zuigkracht van de markt in informatietechnologie. Technology push vanuit de universiteit wordt daardoor bemoeilijkt.
Bijlagen
Open leren: een haalbare kaart?
Achtergrond
Kennis en vaardigheden verouderen snel in onze samenleving. Onderwijs en (toekomstige) werkgevers zoeken naar leerwijzen die ervoor zorgen dat deelnemers aan onze maatschappij kunnen bijblijven bij, ook nu nog onbekende, ontwikkelingen. Leren leren, lerende organisaties, permanent leren en ontwikkelen zijn begrippen die regelmatig in publicaties naar voren komen. Wat daarbij centraal staat, is dat de lerende zelf een actieve en verantwoordelijke rol speelt.
(On)mogelijke opgave?
Open leren biedt de weg naar die zelfstandigheid. Het beschrijft allerlei manieren, leervormen en methoden, waarop onderwijs en (bedrijfs)opleiding individuen helpen verantwoordelijkheid te dragen voor hun eigen leren, een op maat gesneden opleidingstraject. Is open leren een haalbare kaart? Ons antwoord op deze vraag is een volmondig JA! Hoe ‘open leren’ er in uw school of bedrijf uit gaat zien, kan per organisatie sterk verschillen. De vorm hangt af van uw visie op (toekomstig) opleiden en de mogelijkheden die uw organisatie heeft. Er is niet een, vaste manier waarop open leren handen en voeten krijgt. Er zijn gradaties. Een geheel open systeem is nergens te vinden. Of het moet de selfsupporting autodidact zijn die aangesloten is op Internet. Maar ook die is nog altijd afhankelijk van een informatiebestand dat anderen hebben samengesteld. Een geheel gesloten systeem bestaat ook niet. Iedereen heeft wel enige vrijheid om uit het bestaande kennissysteem te kiezen. Onderwijsinstellingen en bedrijven zullen hun opleidingssysteem ergens op de schaal tussen “minder open” en “bijna helemaal open” kunnen en willen organiseren.
Inleiding met concrete voorbeelden
De inleiding ‘Open leren: een haalbare kaart?’ bespreekt een analysetabel waarmee opleiders hun wensen en doelen voor ‘open leren’ kunnen inventariseren. Verder komen de koninklijke weg naar ‘open leren’ en enkele tips voor de invoering aan de orde. Bezoekers van de inleiding krijgen een boekje mee. Het bevat aspecten om rekening mee te houden bij start en/of invoering van open leren in onderwijsinstelling of bedrijf.
Bijlagen
Van tekst naar hypertext …
Op dit moment proberen vertegenwoordigers van de Gutenberg-generatie studenten op te leiden die de Nintendo-generatie representeren. Studenten schrikken terug voor het lezen van een fors artikel, gewend als ze langzamerhand zijn aan zappen en aan de snelle afwisseling van beeld en geluid in diverse multimedia-systemen.
Toch conceptualiseren wij nog steeds met behulp van taal. Talige informatie zal een grote rol blijven spelen bij de overdracht van onze cultuur. Informatiedragers en media maken echter een snelle ontwikkeling door. Lezen en leren via beeldschermen wordt een steeds normalere zaak. Maar op welke manier kan tekst een goede rol vervullen bij informatie-aanbod op een beeldscherm? Wat kunnen we leren van de manier waarop een lezer omgaat met een tekst op papier? Hoe kunnen we hyperlinks gebruiken om de voorspelbaarheid van de structuur van een tekst groter te maken?
Deze vragen leidden twee jaar geleden tot een nieuwe aanpak van de module taalbeheersing in het curriculum van de School voor Communicatiesystemen. Op dit moment maken de studenten geschreven betogende teksten (van 1500 tot 2000 woorden) geschikt voor een presentatie via een beeldscherm (in de context van een multimedia-produktie als cd-i of cd-rom, of via het Internet). Daartoe voeren ze een strategie voor informatie-opname uit, maken ze een analyse van de tekst (op basis van het communicatiemodel) en vatten ze het betoog samen met behulp van een argumentatieschema van de tekst. Een synthese van deze drie analyses moet uiteindelijk leiden tot uitgangspunten voor de structuur van de interactieve tekst. Uiteindelijk presenteren de studenten een nieuwe versie van het betoog.
De presentatie gaat in op de achtergronden van deze module, de werkwijze en de resultaten en op de normen, die je aan teksten op een beeldscherm kunt stellen. Reguliere samenwerking met een uitgever (die bijvoorbeeld experimenteert met een site op het Internet) lijkt wenselijk.
Bijlagen
Games als werkvorm bij onderwijs
Spelen zijn zo oud als de mensheid zelf. De stamrituelen uit de oudheid, de hoofse spelen uit de Middeleeuwen en de kinderspelletjes uit onze jeugd, het zijn allemaal voorbeelden van spelen waarin we oefenen met allerlei regels en gebruiken. Als hulpmiddel voor onderwijs en training heeft spelsimulatie een grote vlucht genomen. Vooral in beleids·, organisatie- en managementcursussen worden ‘management games’ meer en meer ingezet. Spelsimulaties worden door Pink Elephant Education & Development bv nu ook ingezet in (organisatie-)veranderingstrajecten. Zo is er een workshop ontwikkeld waarin IT -managers en Business Management elkaar in een game zoeken en (hopelijk) vinden. In deze tweedaagse workshop worden aspecten van de kloof tussen IT en business opgespoord, geanalyseerd en voor zover mogelijk overbrugd. Een tweede, op gaming, gebaseerd product van Pink Elephant Education & Development bv is een ‘Request for Change’-game. IT-beheerspecialisten leren hier spelenderwijs weerstanden tegen veranderingsprocessen te identificeren en te verminderen.
Bij veel van onze klanten worden reorganisaties oftewel transformatieprocessen vaak parallel doorgevoerd en dat leidt tot weerstanden die alhoewel heel begrijpelijk, contraproductief zijn. We brengen in dit spel de sociale vaardigheden in kaart om deze transformatieprocessen voor jezelf, het team en de organisatie zo goed mogelijk te laten verlopen. Organisaties lijken zich te ontwikkelen volgens een aantal trends. In de workshop zal de spreker duidelijk maken dat die trends het gebruik van spelsimulaties bevorderen en dat spelsimulaties kunnen bijdragen aan veranderingen in het gedrag en opvattingen over dat gedrag bij individuen, groepen en organisaties.
Bijlagen
Informatiebeveiliging: de markt vraagt, maar het onderwijs blijft achter
Het bedrijfsleven is steeds afhankelijker van informatie en informatiesystemen en derhalve ook van een goede beveiliging van informatie en systemen. Verschillende onderzoeken hebben aangetoond dat het slecht gesteld is met informatiebeveiliging in Nederland. De vraag is nu of een gebrek aan kennis en vaardigheden hieraan ten grondslag ligt. Daarom is in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken dit onderzoek uitgevoerd naar de opleidingsbehoeften van het Nederlandse bedrijfsleven en het opleidingsaanbod op het gebied van informatiebeveiliging. Het onderzoek werd uitgevoerd door KPMG EDP Auditors te Amstelveen in samenwerking met de Technische Universiteit Eindhoven.
In het onderzoek worden de behoeften in het bedrijfsleven aan kennis en vaardigheden op het gebied van de informatiebeveiliging onderzocht. Vervolgens is bepaald in hoeverre het aanbod in het HBO- en universitair-onderwijs in deze behoefte voorziet. Het onderzoek toont een aanmerkelijke discrepantie aan tussen vraag en aanbod van informatiebeveiliging in opleidingen. Met name voor de toekomstige informaticus. de manager en de beveiligingsfunctionaris zijn specifieke hiaten onderkend en wordt een verbeteringstraject voorgesteld. Daarnaast is er een zeer brede doelgroep van gebruikers van computers en netwerken in het algemeen die basiskennis en vaardigheden op beveiligingsgebied nodig hebben.
Informaticus
De informatici, systeembeheerders en IT-deskundigen hebben vooral behoefte aan technische kennis en vaardigheden omtrent informatiebeveiliging. Het grootste knelpunt vormt het veilige beheer van systemen en de ontwikkeling van nieuwe veilige informatiesystemen en (telecommunicatie-)netwerken. Aan universiteiten en HBO’s wordt nauwelijks aandacht besteed aan deze onderwerpen. Het aanbod op dit gebied in niet-reguliere opleidingen is sterk gefragmenteerd en de kwaliteit van het aanbod varieert. Dat ook hier een gebrek is gesignaleerd aan kennis (en zelfs aan bewustzijn) is zorgwekkend. Voor deze technische disciplines wordt de ontwikkeling van twee opleidingsrichtingen of -modules aanbevolen.
Lijnmanagement
Voor het lijnmanagement, dat vooral organisatorische kennis en vaardigheden moet bezitten, zijn de volgende opleidingsbehoeften geconstateerd: het opzetten van de managementcyclus, het toekennen van taken en bevoegdheden, het managen van IT-gerelateerde risico’s. Met name de kennis en vaardigheden voor de vertaalslag naar de praktijk ontbreekt. Het niet-reguliere onderwijs dient deze markt te bedienen. Het aanbod komt inmiddels moeizaam op gang, met name via PAO en AMBI.
Beveiligingsfunctionaris
De grootste opleidingsbehoefte wordt gesignaleerd voor de beveiligingsfunctionaris. Hiervoor zijn in het geheel geen opleidingen beschikbaar die voldoende diepgang bezitten en voldoende onderwerpen doceren. In het buitenland bestaan deze opleidingen wel. Het blijkt dat veel van de beveiligingsfunctionarissen in Nederland in feite “selfmade”-deskundigen zijn. Voor de korte termijn worden enkele verbeteringsvoorstellen gedaan. Uiteindelijk dient het streven te zijn te komen tot een opleidingenstroom voor beveiligingsfunctionarissen waarin recht gedaan wordt aan zowel de organisatorisch/bestuurlijke als de technische opleidingsbehoeften. Deze opleidingenstroom kan een belangrijke stimulans vormen voor verdere professionalisering van het vak beveiligingsfunctionaris.
