Wat verwacht het onderwijs van elektronische media?

Technologische ontwikkelingen op het gebied van informatietechnologie en telecommunicatie maken het mogelijk om alle vormen van informatie eenvoudig te distribueren, beschikbaar te stellen en te presenteren. Daarbij is het mogelijk om met elkaar op ieder moment en op iedere plaats te communiceren. Nieuwe informatie-infrastructuren, aangeduid als elektronische of digitale snelweg spelen hierbij een belangrijke rol. Aanpassing, uitbreiding en opwaardering van huidige netwerken zoals het telefoonnet en kabel-TV convergeren in de richting van een open, breedbandig, digitaal, geschakeld netwerk voor tweerichtingsverkeer.
Integratie van informatievormen zoals teksten, gegevens, beeld en geluid met de daaraan gekoppelde interactieve functies van creatie, opslag, transport bewerking en presentatie wordt multimedia genoemd. Het digitale aspect van multimedia, de digitalisering van de verschillende informatievormen, heeft grote consequenties voor markt, maatschappij, industrie en ook voor het onderwijs. De gevolgen van deze ontwikkelingen zijn niet te overzien, maar iedereen hoopt er beter of zelfs gelukkiger van te worden. Met name overheden zijn sterk geïnteresseerd in nieuwe media en zien er mogelijkheden in om hun problemen op te lossen. Nieuwe media en infrastructuren kunnen dan mede de basis vormen voor een gewenste, duurzame economische groei, werkgelegenheid, concurrentiepositie en verbeteringen op het gebied van de gezondheidszorg en het onderwijs. Organisaties gaan of moeten zich aanpassen om adequaat op de nieuwe ontwikkelingen in te haken. Dit geldt voor bedrijven maar ook met name voor het gehele onderwijsveld.
De architectuur van het gebruik van nieuwe elektronische media kan eenvoudig voorgesteld worden aan de hand van een zogenaamde waardeketen. In de basisvorm van deze keten onderscheiden we drie hoofdelementen, te weten:
– de informatie, software of inhoud;
– het distributie en communicatiesysteem ofwel de infrastructuur;
– het gebruik.
Als belangrijkste componenten in de dienstenketen herkennen we dan de leverancier van de inhoud (‘information provider’), de dienstenleverancier (‘service provider’), de netwerkexploitant en de interface naar klant, consument, burger en student, thans veelal nog de TV, PC en telefoon, maar in de nabije toekomst in nieuwe vormen.
De wensen en de behoefte van de gebruiker bepalen uiteindelijk de vorm, inhoud en prijs van de diensten. Het lijkt dus voor de hand te liggen dat de manier waarop scholieren en studenten kennis en vaardigheden verwerven wel eens ingrijpend zouden kunnen veranderen. Deze veranderingen gelden dan niet alleen de vorm en inhoud van het onderwijs, maar ook tijd en plaats waar onderwijs gegeven en genoten wordt, hetgeen consequenties heeft voor allen die in het onderwijs werkzaam zijn. Het toepassen van informatietechnologie en het gebruik van elektronische media kan de problemen binnen het onderwijs niet zonder meer opheffen. Wel kan het een stimulans zijn om traditionele, niet meer functionerende, vastgeroeste structuren aan te pakken, te veranderen en te verbeteren. Vrijwel alle studenten van universiteiten en het HBO hebben toegang tot Internet en op lagere en middelbare scholen wordt Internet steeds meer gebruikt. Vele scholen voeren reeds educatieve projecten uit met andere scholen en communiceren via e-mail. Computergebruik is geen hobby meer van enkele docenten en leerlingen. Internet en CD-ROM worden onderdeel van de curricula van vrijwel alle vakken. Meer dan honderd middelbare scholen en vijftig lagere scholen hebben een plaats op Internet gevonden. De digitale school is realiteit (http://digischool.bart.nl) en onderwijs in Cyberspace dreigt realiteit te worden (http://www.worldaccess.nl/~veluws/dinklo.htm).


Bijlagen

Informatici als deelnemers in organisationele leerprocessen

Leren leren is een ‘hot topic’ in onderwijsland. Leren van feiten verliest aan belang tegenover het verwerven van vaardigheden om in steeds weer nieuwe situaties te onderzoeken welke vragen er spelen en welke oplossingen daarop aansluiten. Daarnaast functioneren professionals, waaronder informatici, altijd in een omgeving waarin vragen nooit eenduidig zijn en waarin oplossingen altijd in samenwerking met anderen tot stand komen. Een onderzoekende houding en een open instelling tegenover anderen wordt dan ook steeds belangrijker. Leren leren kun je daarom ook lezen als: leren onderzoeken, leren afstemmen en leren onderhandelen. Het ‘leren leren’ van individuen vindt zijn parallel in de pogingen van organisaties om hun ‘lerend vermogen’ te vergroten in een toenemend complexe omgeving.
Een case van een grote overheidsorganisatie die haar dienstverlening beter wil afstemmen op de wensen van haar klanten, beschrijft de (nieuwe) eisen die aan informatici worden gesteld bij het vormgeven van veranderingsprocessen. Het blijkt voor informatici vooral van belang te zijn om te leren met andere disciplines mee te denken over de externe eisen aan de organisatie. Dit vraagt flexibiliteit, mede omdat de plannen en ontwikkelingen die informatici op hun gebied voor ogen hebben niet aan hoeven te sluiten bij de vragen en eisen die vanuit de klantwensen worden gesteld.
Gelukkig staan informatici niet alleen in de noodzaak om zich flexibel op stellen bij het vormgeven van organisatieveranderingen. Ook andere vakdisciplines blijken hun denk- en handelwijzen te moeten aanpassen om de organisatie toe te snijden op de vragen en eisen die klanten eraan stellen. Om deze veranderingen te bevorderen zou het nuttig zijn als alle betrokkenen na zouden denken over de wijze waarop zij van elkaars leerprocessen kunnen leren.


Bijlagen

Systematische ontwerpstrategieën en de databasevraagtaal SQL in infomatica-onderwijs

Inleiding
Het onderzoek waarover hier wordt gerapporteerd richt zich op de didactiek van het informaticaonderwijs. Door de snelheid waarmee de informatica zich ontwikkelt is een belangrijk uitgangspunt voor te ontwikkelen onderwijsprogramma’ s dat leerlingen fundamentele kennis en flexibele probleemoplosvaardigheden verwerven die bruikbaar blijven, ook als toepassingsprogrammatuur verandert. Training in het systematisch ontwerpen van oplossingen voor informatievraagstukken zou daarin kunnen voorzien. Drie onderwijsexperimenten zijn uitgevoerd in 4 HAVO en 4 VWO met als doel om de effecten te vergelijken van instructie in twee ontwerpstrategieën (top-down en bottom-up) die werden gebruikt bij het bevragen van relationele databases met SOL (Structured Query Language).
De ontwerpstrategieën
Ten behoeve van het onderzoek zijn twee instructiemethoden ontwikkeld. Beide methoden benadrukken het systematisch ontwerpen van oplossingen voor problemen, waarbij de ontwerpstrategie expliciet wordt onderwezen. De top-down methode weerspiegelt de ’top-down, breadth-first’ probleemaanpak van experts bij het ontwerpen van software. De bottom-up methode lijkt meer op de probleemaanpak van veel beginners en start met het in detail oplossen van kleine deelproblemen, zonder plan vooraf voor de totaaloplossing.
Top-down strategieën worden in het algemeen aangeraden voor software-ontwerp en ze worden om die reden ook vaak onderwezen. De resultaten van dit onderwijs aan beginners zijn echter vaak teleurstellend, wellicht omdat voor toepassing van top-down strategieën veel kennis en vaardigheden nodig zijn. Het is daarom de vraag of de top-down methode wel geschikt is voor inleidend onderwijs, temeer omdat deze methode sterk afwijkt van de probleemaanpak van de meeste beginners.
Het experimentele onderzoek
De experimentele lessen stonden op het normale (verplichte) lesrooster voor 4 HAVO en 4 VWO en werden gegeven door docenten van de scholen. De experimenten verschilden o.a. in het al dan niet (kort) demonstreren van de probleemaanpak door de leraar. Bestudeerd werden de hoofdeffecten van de instructiemethoden, maar ook de invloed van de demonstraties en van enkele leerlingkenmerken: verbale intelligentie, kennis en vaardigheden op het gebied van wiskunde en IPLS (kennis en inzicht in verzamelingenleer, en het vermogen om logisch te redeneren en om te bepalen of gegevens relevant en afdoende zijn voor het oplossen van een gegeven probleem).
Resultaten
Uit een vergelijking van de drie experimenten kan de conclusie worden getrokken dat het zelfstandig verwerven van een top-down probleem aanpak hoge eisen stelt aan de cognitieve
vaardigheden van leerlingen. In het experiment zonder klassikale demonstraties presteerden HAVO-leerlingen minder goed in de top-down groep dan in de bottom-up groep. Alleen voor de goede leerlingen (verbaal intelligent, hoge cijfers voor IPLS en wiskunde) was de top-down methode beter.
VWO-leerlingen bleken wel goed in staat zich de top-down methode zelfstandig eigen te maken: de prestaties in de top-down en bottom-up groep waren vrijwel identiek.
Demonstraties door de leraar bleken voor HAVO-leerlingen te leiden tot veel betere prestaties (vergelijkbaar met de prestaties van de zelfstandig werkende VWO-ers) en de top-down groep presteerde nu iets beter dan de bottom-up groep. Vooral zwakkere leerlingen hebben dus profijt gehad van de demonstraties, en bovendien meer in de top-down groep dan in de bottom-up groep.


Bijlagen

Modelling business processes for the purpose of redesign and reengineering

There exist two generic system views, that are both well-known and widely applied: the functional view and the constructional view. It is of paramount importance to recognize that they serve different purposes, and they are not interchangeable. The functional view is the prevailing view in the natural and social sciences. It consists of conceiving a system as a black-box with input and output variables. Understanding a system in this functional view comes down to knowing the relationship between the input and output variables. What one observes as the sequence in time of output values, is commonly called the behavior of the system.
The constructional view is the prevailing view in all engineering sciences. It consists of conceiving a system as a white-box, i.e. a collection of elements that influence each other by means of interaction (i.e. directly activating each other) and interstriction (i.e. constraining each others “freedom of movement”). What one observes as the sequence in time of actions exerted by the elements, is commonly called the operation of the system.
If one only uses a system, with a given functionality and performance, it suffices to have a functional understanding of the system. However, if the functionality or the performance has to be changed, one needs to “open” the black-box and change the “internals” of the system. This requires a constructional understanding of the system. Obvious, trivial, one is inclined to say. Surely, these remarks ought to be obvious and trivial, but unfortunately they are not. Just look at how people, both organisation experts and information systems professionals, currently proceed when redesigning and re-engineering business processes! Do they have an appropriate understanding? Do they know how an organisation really works, how it is “constructed”? The answers to these questions are straight no’s.
What I will present is a new constructional view on organisations, i.c. business processes, that is rooted in the Speech Act Theory (Searle) and the Theory of Social Action (Habermas), and that has evolved now into a successful methodology for the redesign and re-engineering of business processes.


Bijlagen

Elektronisch mentoraat

Afstandsonderwijs in de vorm zoals dat door de Open Universiteit (OU) wordt aangeboden, heeft sinds de oprichting van de OU in 1984 geleid tot het ontwikkelen van een groot aantal leermiddelen op het gebied van computer ondersteund onderwijs (COO). Studenten gebruiken deze leermiddelen, evenals een aantal andere voorzieningen, voornamelijk in een van de achttien studiecentra. Steeds meer studenten beschikken tegenwoordig over apparatuur die hen in staat stellen COO-materiaal thuis te gebruiken. Het ligt voor de hand om ook andere voorzieningen die studiecentrumgebonden zijn, tevens thuis aan te bieden. In dat kader zijn en worden experimenten uitgevoerd met betrekking tot het via internet begeleiden en aanleveren van cursussen.
Het gebruik van informatie- en communicatietechnologie (ICT) bij de begeleiding van studenten heeft lang in de schaduw gestaan van de ontwikkeling van cursusgebonden leermiddelen. Dankzij de beslissing met ingang van het studiejaar 1997 -1998 het bestaande palet van begeleidingsvoorzieningen voor studenten uit te breiden met een cursusonafhankelijk structureel mentoraat, is het toepassen van ICT daarbij in het volle licht geplaatst.
Het experiment elektronisch mentoraat is opgezet met het doel ervaring op te doen en gegevens te verzamelen ter voorbereiding van een OU-brede invoering. Ruim honderd Nederlandse en Vlaamse studenten, bijgestaan door vijftien mentoren hebben gedurende de periode oktober 1995 – december 1996 deelgenomen aan het experiment. Studenten en mentoren waren afkomstig uit vier faculteiten: Cultuurwetenschappen, Natuurwetenschappen, Rechtswetenschappen en Technische wetenschappen (informatica). In de lezing zal worden ingegaan op de resultaten wat betreft de functies van het elektronisch mentoraat: informatievoorziening, studievoortgangsbewaking, stimulering contact met medestudenten, inhoudelijke begeleiding en ontwikkeling van studievaardigheden. Tevens zal aandacht besteed worden aan de gedachtenvorming over de taken van een (elektronische) mentor. De mogelijkheden voor het aanleren van sociale en communicatieve vaardigheden zijn ook onderzocht. De resultaten van de deelnemers op dit punt zijn nogal wisselend, maar er is meer inzicht verkregen over de methodiek en voorwaarden bij het aanleren, respectievelijk verder ontwikkelen van deze vaardigheden als deel van de academische vaardigheden. Tot slot zal een overzicht worden gegeven van de invoeringstrajecten van het elektronisch mentoraat die thans zijn uitgezet door de verschillende faculteiten.


Bijlagen

De praktijkcomponent onder de Wet Educatie en Beroepsonderwijs voor de informatica opleidingen van het ECABO

Wet Educatie Beroepsonderwijs, WEB
Er komt een landelijke kwalificatiestructuur voor het beroepsonderwijs met vier duidelijke opleidingsniveaus en twee verschillende leerwegen. Ook de structuur van de opleidingen in de (volwassen) educatie gaat veranderen. Daardoor moet een betere aansluiting met het beroepsonderwijs ontstaan.
Deze wijzigingen moeten leiden tot een stelsel dat leerlingen kan opvangen met op de persoon toegesneden opleidingen. Tegelijkertijd wordt meer dan ooit aandacht besteed aan kennismaking met de beroepspraktijk (de zogenoemde “beroepspraktijkvorming”). Daardoor moet de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt verbeteren. De WEB vervangt alle huidige wetten op het terrein van de volwasseneducatie (BVE) en het beroepsonderwijs (nu nog WCBO) en brengt deze onder in een samenhangend geheel.
Kwalificatiestructuur
De WEB introduceert voor het beroepsonderwijs een nieuw onderwijsmodel met een en dezelfde kwalificatiestructuur. Gekozen is voor een kwalificatiestructuur met vier opleidingsniveaus.
Leerwegen
Voor alle opleidingen kunnen binnen de onderstaande kwalificatiestructuur twee leerwegen worden ontworpen:
A. een beroepsopleidende leerweg, BOL; omvang beroepspraktijk vorming 20 – 60%.
B. een beroepsbegeleidende leerweg, BBL: omvang beroepspraktijk vorming 60 – 80%.
ECABO informatica opleidingen
Het opleidingsaanbod van het landelijk orgaan ECABO bestaat uit de volgende informatica opleidingen:
Kwalificatie / Leerweg / Niveau
Medewerker Beheer / BBUBOL / 3 Vak.
Informatiesystemen / BBUBOL / 4 Midden.
Applicatiebeheerder / BBUBOL / 4 Midden.
Beheerder technische Infrastructuur / BBUBOL / 4 Midden.
Systeem Beheerder MKB / BBUBOL / 4 Midden.
Applicatie Ontwikkelaar / BBUBOL / 4 Spec.
ICT-Beheer / BBUBOL / 4 Spec.
Netwerkbeheerder / BBUBOL / 4 Spec.
Mogelijke invullingen van de praktijkcomponent
De WEB maakt veel werk van het vergroten van de aandacht voor de beroepspraktijk buiten de school. Iedere opleiding moet een substantieel deel inruimen voor deze beroepspraktijkvorming. Geen enkele deelnemer kan een diploma behalen zonder aan dit onderdeel te hebben meegedaan. De precieze omvang hiervan wordt door de Landelijke Organen Beroepsonderwijs (LOB) per opleiding vastgesteld in de eindtermen.
De invulling van de leerwegen is in de meest ideale vorm een traject van samenwerking tussen een ROC en een erkend leerbedrijf. Een kandidaat volgt zijn opleiding bij een ROC en heeft een praktijkleerplaats bij een leerbedrijf . De theorie en praktijk kan in de beroepsbegeleidende leerweg parallel lopen aan de theorie. Bij een beroepsopleidende leerweg volgt over het algemeen de kandidaat eerst de theorie lessen en zal pas veel later te maken krijgen met de praktijk.
Hoe zal naar verwachting de praktijk eruit komen te zien voor d.e informatica opleidingen?


Bijlagen

Interactieve dictaten door middel van Adaptieve Hypertekst

Door middel van World Wide Web is het eenvoudig mogelijk geworden om dictaten en andere literatuur voor het onderwijs on-line en in hypertekstvorm aan te bieden. Voor het college “Hypermediastructuren en -systemen” aan de TUE wordt sinds begin 1994 van dit medium gebruik gemaakt.
De rijkdom van hypertekststructuren veroorzaakt bij de gebruiker vaak verwarring en desoriëntatie. Vele auteurs zoeken daarom hun toevlucht in het reduceren van de hypertekst tot een of meer lange (lineaire) documenten. Via WWW worden die dan on-line aangeboden (en door de studenten vaak geprint en off-line bestudeerd), maar de navigatiemogelijkheden van hypertekst gaan hierbij verloren.
Om het hypertekst medium te behouden en toch desoriëntatie te vermijden is het hypermediadictaat voorzien van een adaptieve link structuur. De voortgang en opgedane kennis van elke student wordt in logfiles op de server bijgehouden, en gebruikt bij het genereren van de pagina’s. Verwijzingen (links) naar pagina’s die de student nog niet kan begrijpen worden nog niet getoond, en verwijzingen die overbodig worden verdwijnen. Op deze manier behoudt de student een zo groot mogelijke navigatievrijheid, terwijl verwarring door het benaderen van onbegrijpelijke pagina’s of het ongewenst herbezoeken van reeds bekende pagina’s wordt vermeden.
Het systeem met adaptieve link structuren kan door de auteur ook worden gebruikt om een on-line dictaat zichzelf tijdens het lezen te laten omvormen tot een naslagwerk. (De ontwikkelversie van het hypermediadictaat kan worden gevonden op http://pcpaul.win.tue.nl/2L670/ terwijl de “oude”, nog niet adaptieve versie staat op http://www.win.tue.nl/2L670/)


Bijlagen

Innovatie ondernemerschap: PTT Telecom ontmoet Hogescholen

De groei van de Nederlandse economie zal sterke stimulansen ondervinden bij een toenemend aantal nieuwe ondernemingen, met een op know-how gebaseerde strategie. PTT Telecom wil actief bijdragen aan het stimuleren en scheppen van voorwaarden, die een duurzame groei van de telematicamarkt in het algemeen en van het ondernemerschap in de informatie-, communicatie-, technologiemarkt in het bijzonder bevorderen.
Telecommunicatie onderwijs, kennisoverdracht & ondernemerschap (Toko) voorziet in samenwerking met die Nederlandse instellingen op universitair, hoger en middelbaar beroepsonderwijs die zich specifiek toeleggen op de stimulering van initiatief en zelfstandig ondernemerschap.
Doelstellingen
In de nota “Kennis in beweging” wordt een oproep aan het Onderwijs gedaan tot stimulering van initiatief en zelfstandig ondernemerschap. PTT Telecom wil door gestructureerde samenwerking met Nederlandse onderwijsinstellingen regionale business/innovatie ontwikkeling stimuleren. Ter realisatie zijn de volgende doelstellingen vastgelegd:
– het overdragen van kennis en praktische ervaring ter verhoging van de slaag kans van (door)startende ondernemingen.
– het op basis van een jaarlijks overeengekomen planning bieden van mogelijkheden tot de vervaardiging van business plannen door afstudeerders van Nederlandse onderwijsinstellingen.
– de daadwerkelijke start van ondernemingen door afgestudeerden van Nederlandse onderwijsinstellingen.
– het op instellingsniveau bieden van optimale inhoudelijke expertise ter ondersteuning van gezamenlijk geadopteerde afstudeerprojecten.
– een dusdanige begeleiding opzetten dat de daadwerkelijke startende ondernemer een half jaar na de start de cash-flow op orde heeft.
Organisatie
De betrokken Onderwijsinstelling en PTT Telecom zorgen voor de inrichting van een projectorganisatie. Daarbij zijn de volgende punten van belang:
– het opstellen van een jaarplan
– de selectie van de deelnemende studenten
– het begeleiden en beoordelen van de deelnemende studenten
– het opstellen van een procedure voor de begeleiding van startende ondernemers
– de evaluatie van de ondernomen activiteiten.
Fasering
Het curriculum van de deelnemende instellingen is met betrekking tot het project in een viertal fasen te verdelen. Elke fase wordt afgesloten met een presentatie van de deelnemende studenten. De fasen zijn de informatie-, de ontwikkelfase, de creatie- en realiseringsfase.


Bijlagen

Modern Universitair informatica-onderwijs

Bij de Universitaire School voor Informatica (Faculteit Wiskunde en Informatica) van de KU Nijmegen loopt een driejarig studeerbaarheidsfondsproject dat uitgaat van de filosofie dat studenten later alleen professioneel kunnen opereren in bedrijfsleven en research als zij dit professionele opereren hebben geleerd tijdens de studie. Dit impliceert enerzijds een handelingsgerichte didactiek (Ieren door doen) gebaseerd op een loopbaan in professioneel probleemoplossen (van leerling naar expert); anderzijds een handelingsgerichte didactiek voor leren studeren: een loopbaan van leerling tot academisch professional. Anders gezegd: leren professioneel te werken door te leren professioneel te studeren.
Enerzijds heeft dit implicaties voor de student op het gebied van studieplanning en studiemanagement (deelproject studiecontracten), anderzijds voor de werkvormen die tijdens de studie gehanteerd worden. Deze werkvormen impliceren realistische problemen, projectmatig werken,teamwerk, etc. (deelproject uitdagend onderwijs). Professioneel informatica studeren kan verder alleen in een professionele computergebaseerde werkomgeving die algemene tools bevat (tekstverwerker, databasepakket, spreadsheet, simulatietool – Arena, computer algebra tool – Maple), communicatie software (waaronder WWW-browser, WWW-editor), groupware (Lotus Notes) en planningssoftware (organizers); deze studieomgeving maakt deel uit van een groot elektronisch leernetwerk van studenten en docenten. Overigens is deze studieomgeving aanvullend aan normaal persoonlijk contact dat uitgangspunt blijft.
Tegen deze achtergrond zijn de volgende vormen van uitdagend onderwijs gerealiseerd:
– Professioneel studentensoftwarehuis (GiPHouse) waarin systemen voor echte klanten worden ontwikkeld. Naast de gebruikelijke programmeeropgaven (en systeemanalyse en software engineering) biedt GiPHouse belangrijke voordelen: het resulterende systeem zal in de praktijk gebruikt worden, er moet met opdrachtgevers en gebruikers gecommuniceerd worden, en er wordt met verschillende rollen gewerkt, waaronder Project Team Member, Project Manager, Quality Assurance, Contract Owner.
– Een op het afstuderen voorbereidend seminarium in de vorm van een wetenschappelijke (internationale) studentenconferentie. De organisatie van deze conferentie is in handen van de studenten zelf, waarbij zij samenwerken in verschillende teams, waaronder het Programme Committee, Team of Conference Organizers, Local Organizing Committee, Discussants en Editors. De kwaliteit van de ingediende artikelen wordt bewaakt door docenten, maar ook door medestudenten (refereeing).
– Het Student Research Lab (SRL) waarin afstudeeronderzoek gecombineerd wordt met onderzoeksdienstverlening aan bedrijven of organisaties. Het SRL biedt de mogelijkheid om naast een hoofdproject verschillende nevenprojecten uit te voeren. Dit leidt tot een flexibele opzet, waarin studenten enerzijds “inzetbaar” zijn, maar anderzijds ook kunnen solliciteren naar bepaalde functies binnen het SRL. Voordeel van dit laatste is bv. dat studenten een interne academische afstudeeropdracht kunnen doen (hoofdproject), en tegelijkertijd kunnen werken aan een meer praktijkgericht stage project bij een bedrijf (nevenproject).
Deze onderwijsvormen realiseren een leernetwerk van studenten, mede-studenten en docenten. Communicatie en werk in dit leernetwerk wordt met name ondersteund door de faciliteiten van de elektronische werkomgeving. Daardoor worden tussenresultaten (bv. voorlopige versies van scripties) en managementrapporten (bv. plan van aanpak, actuele planning) beter zichtbaar voor medestudenten, docenten, en de buitenwereld. Dit werkt erg stimulerend.
In de presentatie worden genoemde vormen van uitdagend onderwijs met inbreng van studenten van de Universitaire School voor Informatica gepresenteerd tegen de achtergrond van professioneel leren door professioneel doen.


Bijlagen

Het World Wide Web als werkomgeving voor internationaal projectonderwijs

Applications of Information Technology (AlT) is een internationaal projectvak voor eerstejaars studenten Bedrijfsinformatietechnologie (BIT) dat dit jaar voor de derde maal door de faculteit Informatica van de Universiteit Twente wordt verzorgd. Het doel van het vak is studenten kennis en vaardigheden bij te brengen over toepassingen van informatietechnologie. De projectresultaten bestaan uit een verzameling van WWW-omgevingen (voor iedere projectgroep een) waarin de opgedane kennis is verwerkt en die gezamenlijk een overzicht bieden van een bepaalde IT -toepassing.
Iedere projectgroep bevat zowel Finse als Nederlandse studenten. De geografische afstand tussen de verschillende subgroepen vereist een infrastructuur die het voor beide groepen zo makkelijk mogelijk maakt om samen te werken. Daarom is een World Wide Web (WWW) omgeving ontwikkeld waarin verschillende functies zijn geïntegreerd. Vanuit deze omgeving kunnen groepsleden op een eenvoudige manier samenwerken.
De omgeving bevat een grote variëteit aan functies, gegroepeerd in zogenaamde Centers. Het Group Center bevat onder andere links naar de e-mail adressen van de groepsleden, de tutoren, de planning van de groep, de discussielijst van de groep (het groepsgeheugen) en hun Home Page. In het Specialists Center worden de rollen van de verschillende groepsleden beschreven en er is ook een link naar de e-mailadressen en een discussielijst voor ieder specialisme. Het Resource Center bevat cursusinformatie zoals manuals en hand outs. Ook is er literatuur te vinden en een voorbeeld van een eindrapport. Het Navigation Center biedt mogelijkheden voor het zoeken van informatie op het WWW. In het Scheduling Center is allerlei informatie over de planning van het vak te vinden en het Product Center geeft een raamwerk voor het einddocument waarin de totstandkoming van ieder afzonderlijk hoofdstuk (geschreven door een groepslid) kan worden gevolgd. Verder wordt AIT-studenten de mogelijkheid geboden om synchroon met elkaar te communiceren via IRC en teleconferencing. Ook is een elektronische evaluatie een geïntegreerd onderdeel.
In de voordracht zal dieper worden ingegaan op de functie van de Web-omgeving bij het behalen van de leerdoelen van het vak AIT en op de veranderende rol van de docent in internationaal projectonderwijs via het WWW.


Bijlagen