Storingzoeken komt in verschillende technische sectoren voor. Een automonteur zoekt naar de oorzaak van een slecht lopende motor. Een liftmonteur pluist de elektriciteitskast na van een lift. En een servicemonteur probeert in no-time de vriesinstallatie van een visfabriek te repareren.
Vaak wordt storingzoeken pas in de praktijk echt geleerd. Daarbij valt op dat veel monteurs doeners zijn, en direct beginnen te sleutelen. Uit onderzoek blijkt dat efficiënt storingzoeken gebeurt in ‘je nette pak’ (eerst denken, dan pas doen). In het MTO bestaat geen vast omlijnde methode om leerlingen te leren storingzoeken. Middels modellen (kleine apparaten, schema’s op het bord) tracht men leerlingen ervaring te laten opdoen met storingzoeken.
ICE+ gaat uit van de volgende gedachte. Storingzoeken doe je in de praktijk door te kijken, te luisteren, te voelen en te meten. En natuurlijk door goed, analytisch na te denken. Door de huidige mogelijkheden van computers en multimedia is dat na te bootsen in een simulatie. Daarbij wordt de werkelijkheid zo veel mogelijk benaderd.
Deze gedachte is uitgewerkt in een prototype. Het programma start met een telefoontje van de baas van de storingsmonteur. Hij stuurt de servicemonteur (de gebruiker van het programma dus) naar een klant die problemen heeft. Daar aangekomen kan de gebruiker door simpelweg een pijl over een foto te bewegen de zaak onderzoeken. Telkens komen nieuwe, ingezoomde, foto’s op het scherm. Verschillende ruimtes en machines kunnen zo geïnspecteerd worden. Ook de klant valt ‘aan te klikken’. Dan vertelt deze wat er aan de hand is. Vervolgens is het een grote speurtocht, waarbij allerlei onderdelen te bekijken, en te meten zijn. Bovendien zijn instellingen van de installatie te wijzigen en kan men onderdelen vervangen. Door dit lukraak te doen, kan het erg lang gaan duren. Door echter planmatig te werk te gaan, en bijgeleverde schema’s en het logboek te raadplegen is een efficiëntere zoekweg mogelijk. Zodra de oorzaak gevonden en verholpen is, beëindigt de simulatie. De gebruiker krijgt een overzicht van zijn acties te zien, met daarbij de behaalde score.
Het programma bevat tevens de mogelijkheid om tijdens elke actie een score op het scherm te tonen. Zo zie je van elke actie wat de plus- of de minpunten zijn. Een commentaarstem doet dat trouwens ook. Bij het vervangen van een verkeerd onderdeel hoor je: “dit is een verkeerde beslissing” .
In een veldtest op twee colleges voor beroepsonderwijs is het programma uitgebreid geëvalueerd. Opvallend was het gemak waarmee leerlingen binnen korte tijd zich meester maakten van het programma. Enkele uitkomsten:
1. Leren met de simulatie is zeer intensief, en aantrekkelijk. In een uur tijd behandelen leerlingen 6 verschillende oorzaken, terwijl in een normale les dat veel minder is. Bovendien is het oplossen spannend en uitdagend.
2. Het leereffect met de simulatie is veelbelovend. Leerlingen vinden zelf dat ze er veel van leren, en de evaluatie van de opgeloste ‘cases’ bevestigt dat.
Het vervolg van ICE+ bestaat uit de ontwikkeling van meerdere Troubleshooters. Dit is mogelijk omdat storingzoeken veelal op gelijksoortige wijze dient te gebeuren. Door dit gedeelte apart te ontwikkelen ontstaat een engine die voor meerdere technische sectoren toegepast kan worden. In dat project wordt samengewerkt met TNO-Technische Menskunde.
Twee stappen vooruit, één opzij, één achterwaarts
Sinds de invoering van computers in het voortgezet onderwijs, 1988 NIVO-project, is er een nieuw soort dans ontstaan die zich beweegt tussen een quick quick slowen twee stappen vooruit, één opzij, één achterwaarts.
Gedurende een periode tijdens het NIVO-project kregen scholen een redelijke bekostiging voor aanschaf van hard- en software. Dit kon voor middelgrote scholen oplopen tot zo’n fl. 15.000,- per jaar. Zo’n bedrag stelde een school in staat om regelmatig nieuwe impulsen aan het vak informatica te geven, wat op dat moment op vrijwillige basis door veel scholen werd aangeboden. Het is Nederland op zijn smalst dat in het jaar dat het vak informatiekunde als officieel vak op alle scholen in Nederland verplicht werd de financiering werd stopgezet. De overheid ging over op de lump-sum financiering, officieel is daar ook een bedrag voor hard- en software in opgenomen. Helaas is dit geld niet geoormerkt en zijn scholen vrij om dit ook aan het schoonmaakcontract te besteden. Gezien de primaire bezuiniging die aan deze systematiek ten grondslag lag (20%) werden scholen hierdoor niet gestimuleerd om hun gelden te besteden aan, weliswaar noodzakelijke, maar nieuwe zaken als computers e.d.
Een adequate scholing en bevoegdheidsregeling voor het vak informatiekunde, bleef ondanks krachtige lobby van o.a. de vereniging voor informatiekunde / informatica en informatietechnologie in onderwijs (I&I), achterwege. Ook de politiek bleek in meerderheid op dat moment niet ontvankelijk voor de aangedragen argumenten.
Nu dreigt een zelfde soort situatie te ontstaan. Nieuw is dat in de volle breedte van het onderwijs, de samenleving en de politiek het belang van ICT en het vak informatica wordt onderkent. Indien u denkt dat daardoor een andere situatie ontstaat dan vergist u zich. Ook in de nieuwe tweede fase is nog geen zicht op een aangepaste financiering voor nieuwe vakken of ontwikkelingen die volgens iedereen wel noodzakelijk zijn maar die volgens de overheid door de scholen op lokaal niveau uit eigen middelen moeten worden gerealiseerd. Geen nascholing, geen aanvullende middelen voor systeembeheer, computers of software en ook nog geen infrastructuur die het scholen mogelijk maakt om de kreet ‘Nederland informaticaland’ waar te maken.
Ondanks deze beperkingen komt het vak informatica er wel. Wat heeft een school daarvoor nodig? Wat moet een school daarvoor over hebben? Wie zorgt voor een methode? Hoe wordt nascholing gerealiseerd?
Kortom twee stappen vooruit, één opzij, één achterwaarts.
Bijlagen
Van algoritme naar Visual Basic code met PSD & Code
Sinds een aantal jaren verzorg ik het Visual Basic practicum aan eerstejaars studenten Industrieel Ontwerpen. Deze omvatte 5 oefeningen van elk 4 uur waarin de studenten in paren samenwerken. De eerste oefening bestond uit het maken van een kennismakingsoefening waarin met name de visuele aspecten van Visual Basic aan bod kwamen. In de overige oefeningen werkten ze aan één eindopdracht. De overgang tussen de kennismakingsoefening en de overige oefeningen – waarin meer geprogrammeerd moest worden – was dusdanig groot dat er behoefte bestond aan een hulpmiddel bij het construeren van met name de code die geschreven moest worden.
Daartoe is het afgelopen jaar het computerprogramma PSD & Code ontwikkeld dat van een algoritme niet alleen de Visual Basic (3.0) code genereert, maar ook een programmastructuurdiagram (PSD). Door inspectie van de code en het PSD kan de student een indruk krijgen van de weergave van besturingsstructuren in zowel PS D’s als in Visual Basic code, waardoor hij een beeld krijgt van de omzetting die moet worden bedacht. De code kan direct als module in Visual Basic (3.0) worden ingevoerd en gebruikt. Tijdens de lezing zal ik een demonstratie van de mogelijkheden van dit programma laten zien.
Bijlagen
Schets van één Landelijk Educatief Onderwijs Netwerk
In november 1996 heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen mevrouw Netelenbos, CPS de opdracht gegeven te onderzoeken hoe een nationaal onderwijsnetwerk eruit zou moeten zien (de “redactiefunctie”) en welke weg moet worden gevolgd om zo’n nationaal onderwijsnetwerk te realiseren. Het APS heeft een soortgelijke opdracht voor het basisonderwijs. In de aanpak van het onderzoek wordt door onderlinge afstemming en samenwerking gestreefd naar optimale synergie tussen beide onderwijsniveaus in de uiteindelijke beschrijving van het netwerk.
Ten tijde van NIOC’97 is het onderzoek in een eindfase. Er is gezocht naar een manier om al de partijen in Nederland die ervaring met Internet hebben, te betrekken bij het onderzoek. Daartoe is door de Verzorgingsinstellingen, de HBO-raad, de WPRO en de Gemeenschappelijke Educatieve Uitgeverijen de bereidheid uitgesproken om bij het onderzoek naar een landelijk onderwijsnetwerk gezamenlijk op te trekken. Vanuit deze instellingen is een viertal werkgroepen gevormd die bepaalde aspecten van het netwerk verder uitwerken. Een flink aantal experts is geïnterviewd en er zijn beoordelingen gemaakt van bestaande educatieve en ook ideële/commerciële sites op het net. Er is gestreefd naar maximale legitimering van tussentijdse resultaten door betrokkenen en belangstellenden.
De inhoud van een onderwijsnetwerk komt pas goed tot zijn recht als daarbij de gebruikers en de functionaliteit in het middelpunt staan. Daar waar het gaat om gebruikers zijn drie niveaus te onderscheiden. Het eerste niveau is dat van de school, de schoolbesturen (waaronder gemeenten), het schoolmanagement en externe partijen zoals OCenW, CFI, Inspectie, Informatie Beheer Groep. Het tweede niveau is dat van de docent, die via het netwerk als professional kan opereren en ondersteund worden. Het derde niveau is het primaire proces, waarin leerlingen en docenten het medium gebruiken voor het realiseren van (ICT -)eindtermen en voor de verhoging van de kwaliteit van het onderwijs. Eventueel kan nog als vierde niveau de ouders worden genoemd.
Waar het gaat om de inhoud zelf en de functionaliteit is een drietal functies van zo’n onderwijsnetwerk te onderscheiden.
Allereerst is een website een informatiemedium voor informatieleveranciers naar hun klanten, zoals dat bijvoorbeeld ook bij tijdschriften het geval is. Het netwerk is vervolgens ook communicatieplatform, waarbij uitwisseling van informatie, ideeën, ervaringen, producten enzovoorts voorop staat. De derde functie is die van de diensten. Voorbeelden hiervan zijn het leveren van toetsen of lesmaterialen op aanvraag, het inrichten van een helpdesk, het vervullen van een intermediaire rol, het doen van evaluatie en onderzoek, beroepsvoorbereiding, teleleren en noem maar op.
Niet elke functionaliteit is voor elke gebruikersgroep van belang. De prioriteiten zullen niet overal gelijk liggen. Ook moeten we rekening houden met randvoorwaarden als de toegankelijkheid van het netgebruik en de mogelijkheden van de gebruikers, de infrastructuur op scholen en de bereidheid al of niet voor geleverde informatie of diensten te betalen.
In de presentatie zal een schets worden gegeven van de resultaten die het onderzoek heeft opgeleverd.
Bijlagen
Educatieve software on-line
Communiceren via internet is onderhevig aan beperkingen. Hoe beter we die beperkingen kennen, des te beter is internet inzetbaar in onderwijs en training. In deze discussiebijeenkomst komt aan de orde wat de mogelijkheden en beperkingen zijn van het gebruiken van educatieve software via internet.
Docenten en onderwijsinstellingen kunnen bij het uitvoeren van hun onderwijs gebruik maken van internet. Het versturen en ontvangen van Email en het gebruik van een discussieplatform zijn twee manieren van communiceren waarin internet kan voorzien. Educatieve software on-Iine, d.w.z. rechtstreeks te gebruiken, is ook mogelijk. In deze discussiebijeenkomst ga ik in op twee onderwerpen.
Het eerste onderwerp is het ontwikkelen en op een site plaatsen van educatieve software. Wat komt daarbij kijken, wat kost het, waar moet een dergelijke applicatie aan voldoen, welke problemen kom je tegen bij het plaatsen van de applicatie op een site, hoe zorg je ervoor dat de docent voldoende stuurmogelijkheden heeft.
Als tweede onderwerp komt aan de orde het in onderwijs en training inzetten van educatieve software die on-line beschikbaar is. Op welke momenten en in welk situaties is dat nuttig en wenselijk, welke voorzieningen op technisch en communicatief gebied zijn vereist, hoe combineer je e-mail , discussieplatform en educatieve software met de momenten van face-to-face contact met de cursisten.
Tijdens de bijeenkomst laat ik diverse voorbeelden van educatieve software op internet zien.
Bijlagen
Practicumondersteuning en Teleleren op basis van audiovisuele schermopnamen
Inleiding
Sinds enkele jaren hebben wij ervaring opgedaan met het gebruik van audiovisuele schermopnamen. Deze opnamen zijn gemaakt m.b.v. Lotus Screencam™. In het navolgende zullen we van filmpjes spreken.
Beschrijving van de huidige situatie in het practicum
Studenten die bij ons kennismaken met de ontwikkelomgeving DELPHI™ kunnen dat doen in een van onze practicumzalen onder begeleiding van een docent, of thuis, waarbij de begeleiding van de docent voornamelijk via e-mail, telefoon of discussiegroep verloopt. De cursus bestaat ruwweg uit 6 series triplets. Een triplet bestaat uit een lesje, een opgave en een antwoord. De student speelt een lesje (dit is dus een screencam filmpje) van ongeveer 5 minuten af. Dit lesje behandelt in principe slechts één onderwerp, bijvoorbeeld: “wat is een event handler”? Als de student het lesje bekeken en beluisterd heeft gaat hij/zij een opgave bekijken en beluisteren. Doorgaans betreft de opgave een opdracht om een kleine applicatie te bouwen. In het opgave filmpje wordt dan getoond welk eindresultaat van de student verlangd wordt. Het opgave filmpje duurt ongeveer 2 minuten. De student start nu DELPHI en gaat de opgave maken. Voor de meeste opgaven mikken wij op ongeveer 25 minuten. Als de student vastloopt kan hij/zij het antwoord filmpje geheel of gedeeltelijk bekijken en beluisteren. Als dit niet voldoende is of als de computer vastloopt of iets dergelijks kan de student assistentie van de docent inroepen. De thuiswerkende student kan via het net met de docent zoeken of telefoneren. De studenten in de zaal gebruiken uiteraard hoofdtelefoons en de studenten thuis gebruiken doorgaans luidsprekerboxen. De filmpjes zijn vanuit een normaal MS WINDOWS™ HELP-bestand op te starten. De student kan dus door het helpbestand bladeren maar ook op sleutelwoord zoeken. Een student die bijvoorbeeld zoekt op “private” vindt dat lesje 3 uit serie 4 en het antwoord op opgave 3 uit serie 4 de visibility specifier “private”behandelen.
Ervaringen en discussie
De studenten die thuis de cursus volgen hebben over het algemeen wat meer ervaring met computers. Ze zijn positief over de aanpak maar zouden eigenlijk een “snellere cursus” moeten hebben. Het seriële karakter van een filmpje dwingt de student te blijven luisteren ook al is de aangeboden informatie gedurende enkele minuten overbodig.
Dit nadeel kan met Screencam97™ deels opgeheven worden. De thuis studeerders hebben eigenlijk alleen ondersteuning nodig van de docent in de opstart fase wanneer de cursus geïnstalleerd moet worden. De installatie procedure wint inderdaad geen schoonheidsprijs. Er wordt daarom gewerkt aan een thin-client versie. De studenten die de cursus in de practicumzaal volgen zijn overwegend MSC studenten. De MSC-ers aan de LU komen uit 57 landen. Hoewel niet elke MSC-er het practicum DELPHI volgt is die diversiteit zeer groot. Ongeveer de helft van de studenten kan het practicum doorlopen zonder enige hulp van de docent. De andere helft heeft echt hulp van de docent nodig, maar van degenen die hulp nodig hebben heeft bij ongeveer de helft deze hulp geen merkbaar effect. Anders gezegd: ongeveer een kwart haakt af of zakt voor het examen en dit zijn juist de mensen die ook gedurende het practicum bijna alle aandacht van de docent gevraagd hebben. In een aantal gevallen kunnen factoren die het leerproces bemoeilijken getraceerd worden. Studenten die bijvoorbeeld gewend zijn van rechts naar links te lezen hebben veel meer moeite om zich binnen het scherm te oriënteren.
Conclusies en toekomstplannen
We zijn er van overtuigd dat schermopnamen zoals bijvoorbeeld die welke met LOTUS SCREENCAM™ gemaakt kunnen worden, indien voorzien van gesproken toelichting, een zeer krachtige component in computer ondersteunde zelfstudie modulen kunnen zijn. Veel van de huidige tekortkomingen zijn van technische aard en aan oplossingen wordt gewerkt. Probleem is het onderhoud van de cursus: daarom ontwikkelen we nu een relationele database en laten dan automatisch WEB pagina’s vanuit deze database genereren.
Bijlagen
Teleleren bij TAS Informatica BV
TAS Informatica BV is een softwarehuis gevestigd te Baarn met een omvang van 750 medewerkers. Het bedrijf detacheert IT-medewerkers en voert projecten uit voor grote organisaties binnen Nederland, zoals banken, verzekeringen en ministeries. Deze organisaties zijn gevestigd verspreid over heel Nederland. De IT-branche verandert snel. Dit betekent dat IT-medewerkers voortdurend opgeleid moeten worden om deze ontwikkelingen bij te houden. Een softwarehuis dat kwalitatief hoogstaande diensten wil leveren moet er dus voor zorgen dat opleidingsfaciliteiten optimaal beschikbaar zijn voor de medewerkers.
TAS Informatica BV beschikt over buitengewone opleidingsfaciliteiten. Voor vrijwel alle gangbare IT-producten kunnen computer-based-trainingen gevolgd worden vanuit huis van de IT-medewerkers. Inmiddels is het opleidingsprogramma uitgebreid tot 3000 uur aan computer-based-training. Iedere medewerker beschikt thuis over een PC met een ISDN aansluiting waarmee vanuit huis opleidingen gevolgd kunnen worden. Op deze manier kunnen medewerkers opleidingen volgen op het tijdstip dat het hen het beste uitkomt. De hoogstaande kwaliteit van de computer-based-trainingen gecombineerd met de thuisleerfaciliteiten heeft ertoe geleid dat medewerkers op grote schaal opleidingen volgen zonder hiertoe voortdurend aangemoedigd te moeten worden.
Resultaat van dit alles is beter opgeleide medewerkers die beter in staat zijn diensten te verlenen ten behoeve van opdrachtgevers, hetgeen uiteindelijk resulteert in een verbeterde concurrentiepositie van TAS Informatica BV.
Bijlagen
Het computerlokaal op Windows 95 en/of Internet
Actuele ontwikkelingen in de informatietechnologie die hun intrede doen in een “computerlokaal” zijn Windows 95 en internet. Beide maken het er voor de systeembeheerder niet gemakkelijker op.
Windows als besturingssysteem wordt steeds meer gemeengoed. Sommigen zijn al blij dat Windows 3.11 op hun netwerk functioneert, anderen hebben de beslissing genomen over te gaan op Windows 95. Voor welke versie ook wordt gekozen, een ding hebben beide gemeen: onderhoud en beheer{s)baarheid is er niet gemakkelijker op geworden. Het centraal, eenmaal installeren van een applicatie, die daarna automatisch op alle werkstations goed functioneert is met het standaard besturingssysteem nagenoeg onmogelijk. Fontys Desktop geeft de systeembeheerder de middelen om het beheer van een educatief Windowsplatform te vereenvoudigen.
Een lokaal netwerk koppelen aan internet was tot voor kort een omvangrijke en kostbare operatie. Tegenwoordig is er een goed en betaalbaar alternatief. In het bestaande netwerk kan een bestaand of nieuw Windows 95 werkstation worden gebruikt als gateway. Deze gateway koppelt net speciale software het lokale netwerk aan het internet. Bijzonder is dat hiervoor slechts een “gewone” internet-aansluiting wordt gebruikt. Op de werkstations in het netwerk moet Windows 95 of Windows 3.11 werken. Afhankelijk van de hardware in de gateway kunnen 5 tot 20 computers gelijktijdig over één aansluiting van het internet gebruik maken. Om het telefoonverkeer zoveel mogelijk te beperken kunnen verschillende technieken worden gebruikt.
Installatie van een lokale mail-server beperkt het postverkeer. Op deze server kunnen in eigen beheer postbussen worden gemaakt voor elke gebruiker die we een postbus willen toekennen. Over het lokale net kan onbeperkt worden “ge-mailed”. Combineren we de lokale mail-server met een “gemeenschappelijke” postbus bij de provider dan kan iedere bezitter van een lokale postbus met de buitenwereld “mailen”. Telefoonkosten worden bespaart door op gezette tijden de post in de postbussen van de lokale server en de postbus bij de provider in één keer uit te wisselen.
Indien we op het lokale netwerk een WEB-server installeren wordt het mogelijk om vanaf een werkstation lokaal te “surfen”. Is een koppelingen naar de buitenwereld nodig dan wordt de telefoonverbinding automatisch tot stand gebracht. Is er geen activiteit naar buiten sluit de lijn weer vanzelf. Lokale gegevens kunnen op verschillende manieren worden samengesteld. Zij kunnen bestaan uit zelf samengestelde pagina’s, maar ook uit van het internet “geslurpte” gegevens. Een CD-ROM gekoppeld aan de lokale WEB-server maakt het mogelijk om de gegevens in het “lokale WEB” snel en eenvoudig aan de lessituatie aan te passen. Slim gebruik van een “surf-programma” maakt het mogelijk om de pagina’s die door een leerling moeten worden bezocht direct onder beheer van de lokale WEB-server te brengen.
Bijlagen
Kennis maken met Neurale Netwerken
Inleiding
Er wordt een begin gemaakt met het onderwijs in Neurale Netwerken. Aan de hand van een syllabus doceren we economische toepassingen van neurale netwerken voor o.m. het hoger economisch onderwijs.
Leerdoel
. Een neuraal netwerk kunnen trainen met behulp van het programma Neuraldesk.
. Het kunnen na bouwen van een neuraal netwerk in Excel.
. Het kunnen opvragen en de invloed nagaan van de gewichtsfactoren.
Doelgroep
Iedere geïnteresseerde in neurale netwerken met een accent op de economische toepassingen.
Voorkennis
Kunnen werken met een spreadsheet programma.
Te gebruiken materiaal
1 overhead projector met scherm, 15 computers minimaal 3864MB met Windows 3.1, Neuraldesk, Excel 5, 15 syllabi
Inhoud en werkwijze
Korte theoretische inleiding.
Wat zijn neurale netwerken, waar worden ze toegepast. Wat is de filosofie achter de syllabus. Hierbij komen de volgende aspecten van neurale netwerken aan de orde:
– Parametrische en nonparametrische methoden.
– Hardware en software toepassingen
– Extrapoleren
– Patroon herkennen
– Invloeden vaststellen
Praktisch werken
Er wordt gebruik gemaakt van de syllabus neurale netwerken een eitje. Deze syllabus is ontworpen voor zelfwerkzaamheid. Zelfstandig zal uit de syllabus gewerkt worden, begeleiding is aanwezig.
De problemen die worden aangepakt zijn:
– Het oplossen van een extrapolatie probleem. Dit soort methoden wordt door banken gebruikt om de koers te voorspellen. Wij voorspellen de kooktijd van een struisvogel ei.
– Een voorspelling doen met behulp van een boolean variabele. We zullen een netwerk trainen op de harde en de zachte kooktijd van eieren. De uitkomst noodzaakt ons om het netwerk te controleren op grond van bekende gegevens.
– Om enig inzicht in de werkwijze van een neuraal netwerk te krijgen bouwen we er een na in Excel. De met behulp van Excel verkregen resultaten vergelijken we met de waarden die met behulp van Neuraldesk bepaald zijn.
– Het opvragen van de gewichtsfactoren en nagaan welke invloed die hebben op het eind resultaat. Dit wordt toegepast bij het uitwerken van enquêtes. Wij zullen dat gebruiken bij het voorspellen van school resultaten.
Bijlagen
Het doceren van Object Georiënteerde analyse, ontwerp en implementatietechnieken in het HBO-systeem
Deze lezing gaat over het belang van goed C++ onderwijs op het HBO. C++ begint steeds belangrijker te worden als programmeertaal. C++ is inmiddels een ANSI standaard waardoor compatibiliteit tussen verschillende compilers gewaarborgd is. C++ maakt het gebruik van nieuwe programmeer technieken mogelijk zoals objecten, generieke klassen en ‘exception handling’. Hierdoor kunnen we zeer robuuste, begrijpelijke en goed te onderhouden software schrijven. Tevens maken de object georiënteerde technieken het grootschalig hergebruik van code mogelijk.
De bovenstaande voordelen gaan natuurlijk niet vanzelf. Een ongetrainde programmeur kan ook met C++ een onbegrijpelijk brei van code produceren. Daarom is een goede training ook belangrijk.
De meeste lessen in C++ programmeren richten zich vooral op de kenmerken van de taal. Er wordt nauwelijks of geen aandacht besteed aan het goed ontwerpen van software terwijl dit zo belangrijk is voor de kwaliteit van de uiteindelijke software. Een goed ontwerp is het halve werk.
Om de kwaliteit van software te bepalen gebruiken we de volgende criteria:
– Begrijpelijkheid (Hoe makkelijk is de C++ code te begrijpen, te gebruiken en te veranderen?)
– Overdraagbaarheid (Draait de C++ code zonder problemen in andere software- en hardware omgevingen?)
– Herbruikbaarheid (Hoe goed zijn klassen in nieuwe toepassingen te gebruiken?)
– Robuustheid (Zijn klassen bestand tegen abnormale omstandigheden?)
– Uitwisselbaarheid (Zijn klassen makkelijk te koppelen aan andere klassen of applicaties?)
– Efficiency (Maakt de code optimaal gebruik van hardware of andere hulp bronnen?)
Om aan de bovenstaande kwaliteitscriteria te voldoen zijn diverse ontwerp technieken bedacht. Eén daarvan is de zogenaamde OMT techniek van Rumbaugh. Het blijkt dat voor grote projecten de OMT methode niet toereikend is. Het systeem moet opgedeeld worden in kleinere subsystemen die elk als een soort ‘Blackbox’ beschouwd worden met een aantal ingangen en uitgangen. Elk subsysteem kan dan weer verder verdeeld worden in subsystemen totdat het subsysteem klein genoeg is voor de OMT methode. Een bijkomend voordeel van subsystemen is dat je een aantal studenten een groot project kan geven die ieder een subsysteem uitwerken. Uiteindelijk vormen die subsystemen tezamen een werkend geheel.
Er zijn ook programmeer technieken ontworpen om de kwaliteit van software te verbeteren genaamd ‘Design Patterns’. Het blijkt dat in software vaak twee totaal verschillende dingen een zelfde programmeer oplossing hebben. Het herkennen van die oplossing kan een hoop tijdwinst opleveren want je hebt het al eens een keer gedaan. Bovendien bevorderd ‘Design Patterns’ de communicatie tussen programmeurs en ontwerpers. Als de ontwerper zegt dat het probleem opgelost kan worden met dit ‘pattern’ dan weet de programmeur gelijk wat er bedoeld wordt.
Het blijkt dat het ontwerp één van de belangrijkste fasen is in een software project. Als het ontwerp goed is dan is het niet zoveel werk meer om dit te implementeren in C++. Helaas wordt er op scholen vaak niet genoeg aandacht besteed aan het ontwerp van software waardoor software projecten uitlopen op een brei van code waar niemand meer wat van begrijpt.
