Het landelijk platform van informatica-opleidingen in het hbo, het HBO-I-platform, stelt zich tot taak een helder beeld te scheppen over inhoud en positionering van de informatica-opleidingen. Daartoe heeft het HBO-I in 1993/94 een project “Beroepsprofielen en afstudeerprofielen” uitgevoerd. AI eerder is in het verband van het project Kwaliteitsverbetering Informatica Onderwijs een onderzoek gedaan naar de vraag van de arbeidsmarkt naar informatici. De visitatiecommissie informaticaopleidingen heeft met het schrijven van een strategisch perspectief en het opstellen van een aantal aanbevelingen de opleidingen uitgedaagd keuzen te maken over de aard van de opleidingen.
Met het project “Opleidingsprofielen HBO-l” beoogt het HBO-I duidelijk en herkenbaar haar opleidingen te positioneren voor het bedrijfsleven als afnemer van afgestudeerden en voor de aankomende studenten.
De projectgroep kreeg de opdracht mee opleidingsprofielen op te stellen op basis van een visie op het vakgebied en de ontwikkelingen in het beroepenveld. De uitwerking van de profielen wordt gegeven in een verzameling eindtermen.
Workshop KISS-DOMINO – Spelenderwijs objecten specificeren en implementeren
In de afgelopen jaren hebben een groot aantal universitaire en HBO opleidingen in het binnen- en buitenland positieve ervaringen opgedaan met de KISS-methode. Zo heeft de Staffordshire University, Europa’s grootste informatica instituut, een volledig KISS laboratorium ingericht waarin studenten met verschillende specialisaties kennis maken met het traject van het specificeren tot en met het implementeren van informatiesystemen. Het communicatieproces en KISS-DOMINO staan hierin centraal.
“Communicatie” is een aandachtsgebied dat we sterk onderschatten bij het specificeren en realiseren van informatiesystemen. Velen onder ons weten dat het succes van projecten in grote mate bepaald wordt door de betrokkenheid van de gebruikers en de mate waarin ontwikkelaars het probleem begrijpen en specificeren. De intensiteit van de terugkoppeling van de ontwikkelaar naar de gebruiker is daarin bepalend voor de kwaliteit van de specificaties en het informatiesysteem.
Voor het verbeteren van de communicatie tussen gebruiker en ontwikkelaar gaat de KISS-methode voor object oriëntatie uit van beschrijvingen in de natuurlijke taal van het probleemgebied. De probleem beschrijving wordt met een grammaticale analyse uitgewerkt naar actieve structuurzinnen die vervolgens gebruikt worden voor het opstellen van modellen. Dit kan op eenvoudige wijze omdat de KISS-modeltypen geheel gebaseerd zijn op de grammaticale concepten van onze natuurlijke taal. Doelstelling van de KISS-methode is dan ook het maken van een representatief model van de dingen die we waarnemen in de reële wereld rondom ons. Dit model van bedrijfsobjecten is dan ook onafhankelijk van enige programmeertaal of database management systeem. Voor realisatie van informatiesystemen wordt gebruik gemaakt van transformatieregels die de KISS-modeltypen omzetten naar de mogelijkheden van implementatie-omgevingen.
In de workshop stellen de deelnemers met KISS-DOMINO specificaties van bedrijfsobjecten op. Hiervoor wordt allereerst een stuk theorie toegelicht voor het grammaticaal analyseren van bedrijfsteksten en het modelleren van bedrijfsobjecten. Vervolgens wordt gevraagd om in groepen een casus uit te werken met het KISS-DOMINO spel. De deelnemers kunnen in de groep binnen de beperkt beschikbare tijd ervaren dat de communicatie tussen de groepsleden gestimuleerd wordt en dat de specificaties verbeteren. De workshop wordt afgesloten door de modellen in te voeren in een CASE-tooi om vervolgens te demonstreren op welke wijze de modellen weer omgezet worden naar zinnen in onze natuurlijke taal. Dit is het zogenaamde “verbaliseren” van modellen. Door de modellen te verbaliseren wordt het vervolgens voor de gebruikers zeer eenvoudig om op de aanwezige fouten in de modellen attent te maken en op de opgestelde modellen te verbeteren. Deze kwaliteitscyclus van tekst naar model en van model naar tekst gaat door totdat het gehele probleemgebied verwerkt en akkoord bevonden is.
Op het moment dat alle modellen kwalitatief goed zijn, worden zij gebruikt voor directe generatie van informatiesystemen. De realisatie van het informatiesysteem kan vervolgens plaatsvinden op een aantal alternatieve manieren. Zo kunnen we informatiesystemen realiseren door het toepassen van transformatieregels. Een andere en meer geavanceerde wijze is gebruik te maken van een zogenaamde Software Factory dat de modellen die met KISS-DOMINO uitgelegd zijn direct in een informatiesysteem executeert. De Software Factory maakt dan ook assemblage van bedrijfsobjecten mogelijk.
Bijlagen
Het koppelen van de “knowledge-value-chain”
Vanaf de fusie ABN AMRO is gewerkt aan een visie op het gebruik van IT binnen de bank en bijbehorend implementatieplan. Een belangrijke component van dit implementatieplan is “management of change”. In dit kader is voortdurend gebruik gemaakt van de nieuwste inzichten op het gebied van opleiden. Er is hierbij een overduidelijke beweging gaande naar het “leren op de werkplek”. Deze beweging wordt gestuurd vanuit het oogpunt van efficiency, maar ook door de toenemende onvoorspelbaarheid van de toekomst. Er wordt op dit ogenblik hard gewerkt aan het implementeren van Kennismanagement op basis van de denkbeelden van Nonaka. Hierbij komt de gedachte op dat het mogelijk moet zijn om meerdere “knowledge-spirals” te koppelen. Er ontstaat dan een integratie van “knowledge-value-chains”. Dit concept geeft aanleiding tot de gedachte dat het onderwijs op het gebied van IT op een andere wijze kan worden georganiseerd, waarbij een diepe integratie tussen bedrijfsprocessen en scholing mogelijk wordt.
In de presentatie wordt de tijd (de historische ontwikkeling “state-of-the-art” plannen) als leidraad gebruikt.
Bijlagen
Uitgever en informatie technologie tot elkaar veroordeeld
Vele jaren is er sprake geweest van een luilekkerland van nieuwe mogelijkheden voor de uitgeversbranche. Onder de vlag van Nieuwe Media zou de uitgeverij voor het eerst sinds Gutenberg aan vernieuwing toekomen. De Nieuwe Media leverden echter niets dan teleurstelling en verliezen op. Geen mens zat te wachten op nieuwe media, tot verdriet van Nieuwe Media Guru’s. De uitgever is jarenlang door deze onheilsprofeten (papier verdwijnt) op het verkeerde been gezet. Multimedia zouden de krant, het boek en het tijdschrift van de markt vagen. Inmiddels is het besef doorgedrongen dat niet het medium van belang is maar de informatie en de wijze en de tijdigheid waarop deze wordt gepresenteerd. Eisen waaraan alleen kan worden voldaan als op slimme wijze nieuwe technieken worden ingepast in de bestaande bedrijfsprocessen. Uitgevers zijn veroordeeld tot informatietechnologie. De insteek is echter mede onder invloed van de glorieuze zegetocht van het Internet veranderd. Niet langer is het medium, of een technisch wonder in de gedaante van een decoder of een ander magisch kastje, bepalend. Het succes van de uitgeverij nu en in de toekomst wordt bepaald door de wijze waarop informatie wordt behandeld en verrijkt. Inhoud en technologie zijn van elkaar te onderscheiden maar niet altijd van elkaar te scheiden. Het is dit besef dat er o.a. binnen VNU BPA toe heeft geleid dat er een afdeling Uitgeeftechnologie is gestart.
De afdeling heeft als opdracht:
Waar mogelijk gebruik te maken van informatietechnologie om het primaire proces, uitgeven, efficiënter te laten verlopen en te vernieuwen. Ruud Kluivers maakt u deelgenoot van enkele van de vraagstukken en projecten waar hij en de medewerkers van zijn afdeling aan werken.
Bijlagen
Visueel programmeren in Java
De Open Universiteit en de TU Delft zijn samen begonnen aan een herziening van het inleidende programmeeronderwijs. Twee factoren hebben een rol gespeeld bij het besluit tot die herziening. Ten eerste is in beide instituten besloten om het procedurele paradigma in te ruilen voor het objectgeoriënteerde, met Java als programmeertaal. Omdat dit besluit nauwelijks revolutionair genoemd kan worden, zullen wij hier niet ingaan op de afwegingen die daarbij een rol hebben gespeeld. Wel willen we vast een probleem signaleren: de kracht van het objectgeoriënteerd programmeren wordt pas duidelijk in programma’s van aanzienlijke omvang en is daarom moeilijk in een eerste programmeercursus over te brengen. Ten tweede merkten wij dat de studenten het programmeeronderwijs lang zo opwindend niet meer vinden als pakweg tien jaar geleden. Een reden voor dit verminderde enthousiasme lijkt de enorme kloof die er gaapt tussen de programma’s waar studenten (bijvoorbeeld in een Windows-omgeving) zelf mee werken en de qua gebruikersinterface vrijwel triviale programma’s die ze ontwikkelen in onze eerste programmeercursussen.
Recent zijn er (ook voor Java) programmeeromgevingen beschikbaar gekomen waarin de gebruiker vrijwel moeiteloos een grafisch interface kan definiëren, met de elementen die bekend zijn uit de Windows-omgeving, zoals menu’s, knoppen en tekstvelden. De omgeving genereert de benodigde code voor dit interface; de programmeur kan zich beperken tot specificatie van benodigde event-handlers (bijvoorbeeld om vast te leggen wat er moet gebeuren als op een knop wordt geklikt). Uiteraard kan de code voor het interface desgewenst gebruik maken van zelf gedefinieerde objectklassen.
Een dergelijke omgeving vormt zelf een prachtige illustratie van de kracht van het OO-paradigma, onder meer doordat deze essentieel gebruik maakt van de beschikbaarheid van standaard Java-klassen. Ook kunnen studenten hiermee applicaties maken met een volwassen gebruikersinterface, wat het plezier in het programmeren sterk ten goede zal komen. Het gebruik ervan stelt ons echter ook voor de nodige didactische problemen. De gegenereerde code zal de studenten in eerste instantie als abacadabra overkomen. Zelfs vrij triviale Java-programma’s maken al gebruik van standaardklassen; voor het inlezen en tonen van getallen gebeurt dat bovendien op een manier die niet erg doorzichtig is. Wij hebben deze problemen opgelost door de cursus te beginnen met een deel waarin uitsluitend gebruik gemaakt wordt van de standaard Java-klassen. In dit deel worden de studenten vertrouwd gemaakt met belangrijke OO-begrippen. Aan het eind van dit deel wordt ook de gegenereerde code begrepen. Pas daarna gaan de studenten zelf klassen definiëren en komen traditionele programmeertaalconstructies als expressies, keuze-opdrachten, en herhaling aan bod.
De cursus is nu nog in ontwikkeling, maar zal vanaf dit najaar in beide instituten gebruikt worden.
Bijlagen
Kennismanagement, het werk van de (virtuele) bibliotheek
De informatica heeft zich binnen bedrijven tot op heden met name gericht op de automatisering van de operationele processen werkend met gestructureerde informatie. Het zwaartepunt van informatiemanagement. Recentelijk zijn de kenniswerkers ontdekt. Hun werkzaamheden, hun informatiegedrag, hun kennisbronnen. Documenten zijn daar vaak eindproduct en grondstof. De menselijke netwerken worden hoogstens ondersteund door ICT. Daar ligt het zwaartepunt van kennismanagement. Onvoldoende investering in de structurering van informatie en kennis heeft tot gevolg dat veel kenniswerkers niet de optimale informatie gebruiken of heel veel tijd verspillen, rondzappend van site naar site, in hyperland.
De bibliotheekwereld is door nieuwe technologiemogelijkheden de laatste 25 jaar sterk veranderd. Die verandering heeft zich op velerlei wijze gemanifesteerd. Vooral in bedrijven is de bibliotheek veranderd van bewaarplaats van boeken in een gids naar zowel interne als wereldwijde elektronische informatie, de virtual library. Onveranderd is gebleven het ontsluiten van bronnen van kennis. In dit verband is het belangrijk om over de bibliotheekfunctie te praten en de bijdrage van uit deze deskundigheid aan de oplossing van knelpunten op het gebied van het management van kennis.
Ook aan de voormalige bibliotheekopleidingen zijn deze veranderingen goed te zien. Nog steeds staat centraal het beheren van het gemeenschappelijk geheugen, de vastgelegde kennis van de mensheid, de samenleving of het bedrijf. Ongeacht de kennisdrager, van papier tot elektronisch. In het kernvakgebied storage en retrieval wordt gebruik gemaakt van bewezen gereedschap als classificatie en thesaurus. Daarnaast aandacht voor actuele problemen en mogelijke verbeteringen op het gebied van het zoeken in vrije tekst systemen. Niet perfecte zoekresultaten, het dilemma van recall en precision veroorzaakt door de dubbelzinnigheden in de natuurlijke taal. Ook nieuwere technieken worden ingezet, zoals de bouw van kennissystemen. Deze kennisordening wordt belangrijker naarmate de multimediale informatie verder oprukt. ICT gericht op de toepasbaarheid in bedrijven speelt een grote rol binnen de opleiding. Business intelligence, patentinformatie, infomapping, corporate intelligence systemen en retrievalsoftware als Verity Topic staan al jaren op het programma. Onderdelen en voorlopers van kennismanagement. En sinds kort intranet. Tevens is de verpakking veranderd. Landelijk en ook op de Haagse Hogeschool niet meer een opleiding BDl, Bibliotheek en Documentaire Informatie naar sinds september 1996 lDM, Informatie Dienstverlening en -Management. Dit was nodig omdat de beeldvorming van de bibliotheek trager veranderde dan de werkelijkheid.
De verandering van samenleving en werk gaat voort. De informatie- en kennissamenleving krijgt verder vorm. Wijers, Ritzen en Van Aartsen hebben samen de nota “Kennis in beweging” uitgebracht. Het management van kennis op nationaal niveau. Het kennismanagement in relatie tot het studiehuis, de nieuwe bovenbouw voortgezet onderwijs is in een tweede bijdrage uitgewerkt.
Ook binnen de grotere bedrijven zijn interessante ontwikkelingen gestart. Doel is de kenniswerker van het bedrijf de benodigde bronnen, ongeacht aard of herkomst op zijn werkplek aan te bieden. Om dat te realiseren is samenwerking van verschillende disciplines hard nodig. Samen, informatica, de bibliotheekfunctie en ook de P&O functie voor de lerende organisatie. Wat mij betreft geven we dan invulling aan kennismanagement. En wie trekt het? De bibliotheek werkt er al aan.
Bijlagen
Schoolmediatheek en informatica, een echt koningskoppel voor het slagen van het studiehuis
In de bovenbouw van het voortgezet onderwijs zal per augustus 1998 het nodige gaan veranderen. Op inhoudelijk gebied zal de keuzevrijheid worden beperkt. De helft van de leerstof zal voor alle leerlingen gelijk zijn. Daarboven worden er 4 profielen aangeboden: techniek, gezondheidszorg, economie en cultuur. Nog belangrijker lijken de veranderingen op het pedagogisch-onderwijskundige vlak. Minder klassikaal les. Minder luisteren. Meer aandacht voor kennis toepassen en samenwerking. Actief en zelfstandig leren. Deze nieuwe leeromgeving wordt aangeduid met studiehuis. In dat studiehuis spelen zowel de mediatheek als de computervoorzieningen een centrale rol.
Bij dat nieuwe leerproces dient de leerling vaker individueel of in groepjes problemen op te lossen. Daarbij is naast doorzettingsvermogen de juiste mix nodig van creativiteit en beschikbare kennis. Men onderscheidt eigen kennis, kennis van anderen (groepsleden, docent) en gedocumenteerde kennis. De docent treedt terug als kennisbron, het verwerven van kennis uit de documentatie neemt in belangrijkheid toe. Collectiemanagement en informatievaardigheden, de mogelijkheid van de leerling om adequaat te werken met de collectie zijn cruciaal.
Goed collectiemanagement probeert een optimale, evenwichtige documentatie, kennisverzameling op te bouwen, te beheren en in te zetten met de beschikbare, beperkte middelen. Die collectie bestaat ten dele uit fysiek aanwezige boeken, tijdschriften, video’s en CDRoms. Tot de collectie behoort ook, via ICT, de toegang tot elektronische bronnen, waarbij voorselectie op relevantie, kwaliteit en kosten uitermate belangrijk is. Bij collectiemanagement gelden de vaksecties als domeinspecialisten. De bibliothecaris adviseert, coördineert en integreert. Daarnaast onderhoudt deze het contact met de openbare bibliotheek.
Bij informatievaardigheden gaat het onder andere om bewustheid van de omvang van de documentatie, kennis van de structurering, mogelijke discrepantie tussen gevonden informatie en relevante informatie. Bij kennisbronnen spelen mee allerlei kwaliteitsaspecten, zoals objectiviteit, dekking, beschikbaarheid, controleerbaarheid. Bij de formulering van zoektermen is bekendheid met woordsystemen en thesauri gewenst. Zoeken dient methodisch te gebeuren, en dat is iets anders dan dwalen langs de stellingen of zappen op Internet. Serendipity blijft belangrijk. Hoe nieuwe informatie te integreren met bestaande. Tenslotte en zeker niet het onbelangrijkste, het kunnen omgaan met de ICT voorzieningen zoals Windows, tekstverwerkers, elektronische catalogi en internetsoftware .
Zowel collectiemanagement als informatievaardigheden zijn kritische succesfactoren voor het slagen van het studiehuis. Beide kunnen vanuit zowel de mediatheek als vanuit de informatica benaderd worden. Bovendien hebben beide disciplines helaas zeer beperkte middelen en aandacht. In samenwerking kunnen zij een essentiële bijdrage leveren. Samen ijveren voor voldoende budget voor collectiemanagement in brede zin, inzet van professionele (HBO) mensenkracht, zowel schoolmediathecaris als informaticus toevoegen aan het schoolteam, meer aandacht voor zowel ICT -vaardigheden als informatievaardigheden in het leerplan. In het kader van low budget automatiseren van de catalogus is het gratis cataloguspakket CDS/ISIS een optie. Ontwikkeld door Unesco, wereldwijd zeer veel gebruikt. Met enige investering kan dit een standaard worden. Gratis en goed.
Kortom, informaticadocent, kies uw partner en ontwikkel een belangrijke bouwsteen voor het studiehuis.
Bijlagen
Het IBBI-project: nieuw onderwijs voor een nieuw BI-profiel
Tijdens het NIOC congres zal het Instituut voor Informatie en Communicatie Technologie (ICT) van de Hogeschool Enschede haar nieuwe opleiding BI presenteren. Aansluitend willen we de aanwezigen uitnodigen over enkele thema’s te discussiëren. Hieronder een toelichting op de opleidingsvernieuwing van de Enschedese BI.
In april 1995 is een subsidieaanvraag voor vernieuwingsgelden, onder de naam Integrale Bedrijfskundige Benadering van de Informatiefunctie (IBBI), goedgekeurd door de HBO-Raad. Sinds september 1995 werkt de opleiding BI aan de volledige herziening van de opleiding qua beroepsprofiel, inhoud en onderwijsaanpak. Zij worden ondersteund door Texas Instruments Software en James Martin Company Nederland (JMC).
Hieronder de belangrijkste ontwikkelingen die tot deze opleidingsvernieuwing hebben geleid:
1. Het BI-beroepsprofiel is landelijk gezien aan herziening toe. Geluiden vanuit visitatiecommissie, bedrijfsleven en HBO-platformen op infomaticagebied wijzen hier op.
2. De CASE-techniek lijkt thans in een volwassen stadium te verkeren. CASE-tools doen steeds meer hun intrede in het bedrijfsleven. Met name I-CASE-tools bieden de principiële mogelijkheid om code automatisch te genereren.
3. Zowel bij docenten als studenten van de Enschedese BI was er behoefte aan een nieuwe samenhangende visie op beroepsprofiel, eindtermen, onderwijsaanpak, etc.
4. Piekbelasting en leegloop, sterk wisselend lesbezoek, weinig transfer van kennis, onvrede over de onderwijsprojecten leiden tot het idee dat de onderwijs-organisatie en -methode voor verbetering vatbaar waren.
Het IBBI-project leverde na langdurige discussies een gemeenschappelijke visie op de opleidingsdoelen van Bedrijfskundige Informatica op. IT wordt hierbij gezien als enabler voor procesuitvoering en procesbesturing binnen bedrijven. Dit geldt voor alle bedrijven en met name voor de administratieve en bestuurlijke processen van bedrijven. Bl’ers dienen hiervoor de processen en de systemen te ontwikkelen. Het ontwikkelen van IT -systemen ten behoeve van deze processen zal plaatsvinden met I-CASE-tools. De aandacht zal daardoor verschuiven van de realisatiefase (programmeren) naar de modelleer- en ontwerpfase.
Op basis van deze visie zijn keuzes gemaakt:
1. Het landelijk ontwikkelde Bk/i-profiel is door Enschede geadopteerd en wordt met behulp van IBBI deels ingevuld.
2. De I-CASE-tool COMPOSER van Texas Instruments Software b.v. wordt als rode draad in het onderwijs voor de stage ingevoerd. Als RDBMS wordt ORACLE gebruikt.
3. Omdat meerdere modules gebruik maken van dezelfde kernmethode en tools is er behoefte aan afstemming van begrippenkader. Deze ‘gemeenschappelijke semantiek’ is in ontwikkeling. Ze wordt vooral ontleend aan het begrippenkader van IEM.
4. De opbouw van het curriculum voor de stage is uitgekristalliseerd. Bedrijfskunde en Informatica hebben daarin een duidelijke eigen plaats. Integratie en toepassing van deze kennis vindt plaats in een zogenaamde ‘modelleerstroom’ waarbij COMPOSER een grote rol speelt.
5. Met het oog op de effectiviteit is gekozen voor een aantal didactische uitgangspunten:
– voorkeur voor Probleemgeoriënteerd Onderwijs (PGO) , practica en projectonderwijs
– sterk gestuurd onderwijs in het begin, na de stage meer individueel en zelfstandig
– niet meer dan 3 of 4, sterk geïntegreerde, modules tegelijkertijd
– afstemming tussen modules (planning, studietaken, cases)
De ontwikkeling van modules die aan deze didactische voorwaarden voldoen is thans in volle gang.
Tijdens de lezing zal de actuele stand van zaken worden toegelicht. Ook zullen de gereedgekomen modules worden besproken en de eerste praktijkervaringen worden gepresenteerd. In de discussie willen we vooral de didactische aspecten aan bod laten komen.
Bijlagen
AI gaan de ontwikkelingen nog zo snel, de SvC achterhaalt ze wel! – “Instrumenten om het curriculum actueel te houden”
De School voor Communicatiesystemen (SvC) leidt bruggenbouwers op die bedrijfsprocessen ondersteunen met elektronische communicatiesystemen. Uniek hierbij is dat de menselijke capaciteiten en behoeften centraal staan. Het werkterrein is innovatief en sterk multidisciplinair. Actuele onderwerpen zijn o.a.: Intemet, nieuwe media, het netwerk als computer, Call Centers. Het is van strategische belang dat de SvC voorop loopt in de ontwikkelingen. Een verwevenheid met het bedrijfsleven is de sleutel.
De SvC volgt de ontwikkelingen en trends en streeft erna dat het bedrijfsleven naar de SvC kijkt om hun richting te bepalen. De instrumenten om het curriculum actueel te houden zijn:
1. Contract-activiteiten
Forum is het commerciële bureau van de Faculteit. Docenten worden in gezet voor de uitvoering en ontwikkeling van cursussen op maat en met open inschrijving. Daarnaast levert Forum consultancy. Met name op het gebruik van IT in de marketing (w.o. Marketing met Intemet) heeft de SvC via Forum een visie ontwikkelt. In diverse projectgroepen participeren docenten en specialisten uit de praktijk.
Forum is een partnership aangegaan met contentprovider waarbij Forum de know how levert hoe om te gaan met Internetcommunicatie. Doel van Forum is docenten actief mee te laten te werken bij activiteiten van het bedrijfsleven en andere instellingen. Forum is niet gesubsidieerd en wordt gefinancierd uit de opbrengsten van de activiteiten. Docenten worden voor intern verrekentarief bij de diverse opleidingen ingehuurd en de specialisten uit de praktijk ontvangen een vergoeding op commerciële basis.
2. Alumni-beleid
De SvC is jong en heeft nog maar slechts 200 afgestudeerden. Deze groep groeit jaarlijks met 150. De SvC gaat een interactieve relatie aan met de alumni. Zij krijgen nascholingscursussen en gezelligheid, de SvC krijgt input over de ontwikkelingen en mikt tevens op hun collegae.
3. Participatie
Docenten participeren in belangengroepen als NGI, Nima en EMiR. Deze instellingen organiseren workshops en bedrijfsbezoeken waar de andere docenten ook aan deelnemen tegen bijzonder lage kosten. Door de participatie worden de docenten partner in de ontwikkelingen en leggen contacten met het werkveld.
4. Gastdocenten
Vanwege de modulaire opbouw van het curriculum is het goed mogelijk specialisten die in de praktijk werkzaam zijn voor een periode van 7 weken in te huren voor het verzorgen van collega’s. Ook bij de ontwikkeling van de modules worden zo nu en dan specialisten ingehuurd. Zij leveren hun bijdrage aan het actualiseren van de modules. Vanuit deze doelgroep worden tevens (part-time) docenten gerecruteerd.
5. Overige
Zal ik slechts even noemen maar niet over uitweiden.
– beroepenveldcommissie
– stage en -afstudeer
– gastsprekers
Bijlagen
Multimedia: nut en noodzaak bij bedrijfsopleidingen?
Verslag van een onderzoek naar de toegevoegde waarde van multimedia ten opzichte van bestaande opleidingen.
Aanleiding
Het Leren en Opleiden van mensen in het Nederlands Bankbedrijf neemt een steeds belangrijker plaats in.
Door de voortdurende en zich sneller opvolgende veranderingen als gevolg van de internationalisering en de individualisering van de maatschappij ontstaan voortdurend nieuwe kansen en bedreigingen voor ondernemingen.
Het personeel als kritische succesfactor in de financiële dienstverlening, moet permanent daarop kunnen inspelen. Dat vraagt een veelheid van sturingsmiddelen om dat te bewerkstelligen. Centraal gestuurde opleidingsactiviteiten maken daar een belangrijk onderdeel van uit.
Twee elementen bij bedrijfsopleiden vragen om een fundamentele bezinning bij het herinrichten van die instructie- en onderwijsprocessen.
1. Het rendement van opleidingsactiviteiten, die te ver van het werk van de mensen staat, is bedroevend laag.
2. Bij het pogen om leren en werken zoveel mogelijk te integreren speelt de moderne informatietechnologie een steeds grotere rol.
Aanpak
We hebben een researchproject gestart om inzicht te krijgen in de toegevoegde waarde van een multimedia-aanpak ten opzichte van de bestaande methodiek maar ook t.o.v. een aantal andere (rand)voorwaarden, zoals inhuren van externe leveranciers en materiedeskundigen. Eerst is via een literatuuronderzoek vastgesteld wat onder multimedia verstaan wordt. Vervolgens is vastgesteld welke bestaande opleiding in aanmerking kwam om multimediaal aan te bieden. Terwijl de productie in volle gang was, is de onderzoeksopzet gemaakt.
Zodra de multimediaproductie operationeel werd, hebben twee groepen deelnemers de opleiding gevolgd: één via deze nieuwe multimediale techniek en de andere op de bestaande klassikale wijze.
Conclusies
Tijdens de presentatie zal ingegaan worden op onze ervaringen, onze conclusies en de uitgangspunten voor de toekomst.
