Themasessie: Functies, vrouwen en mannen in informatica

Inleiding
Vrouwen en mannen nemen geheel verschillend deel aan informatica. Er oefenen veel minder vrouwen dan mannen een informaticaberoep uit. In de ‘harde’ informaticaberoepen zijn nauwelijks vrouwen te vinden. In deze beleidssessie zal worden bekeken welke veranderingen gunstig zouden kunnen zijn om het beeld van informatica te veranderen. In deze sessie zullen drie thema’s worden besproken.
Vormgeving van de sessie
Het publiek zal worden uitgedaagd om de opponenten door middel van vragen en opmerkingen naar elkaar toe te praten. De opponenten zullen op afstand worden geplaatst. Het publiek zal bepalen of ze stappen in elkaars richting mogen zetten.
Thema 1: Is informatica goed voor vrouwen?
De stellingen die in thema 1 besproken worden zijn:
– Aannemend dat alle randvoorwaarden voor vrouwen optimaal zijn, dan zullen vrouwen op dit moment toch niet op grote schaal kiezen voor een informaticaberoep.
– Aannemend dat alle randvoorwaarden voor vrouwen optimaal zijn, dan zullen vrouwen op dit moment wel op grotere schaal kiezen voor een informaticaberoep.
In thema 1 zal uitsluitend gekeken worden naar informatica, Uitgaande van ideale sociale en culturele omstandigheden zal een hypothese geformuleerd worden of en op welke wijze informatica veranderd moet worden, wil informatica goed zijn voor mannen en vrouwen.
Thema 2: Zijn vrouwen goed voor informatica?
De stellingen die in thema 2 besproken worden zijn:
Het is goed voor informatica dat vrouwen zich vooral richten op een gelijkwaardige participatie in die beroepen, waar informatica geïntegreerd wordt. Het streven om ook gelijkwaardig te participeren in de ‘harde’ informaticaberoepsgroepen is weinig effectief en is verloren energie.
Het is goed voor informatica dat er naar gestreefd wordt dat vrouwen in alle beroepssectoren van informatica in gelijke aantallen als mannen participeren.
Uitgaande van de hypothese van de COMBO (commissie beroepsontwikkeling) dat de ‘harde’ informaticaberoepen maar procentueel een gering deel van de informaticaberoepen zullen zijn, wordt bekeken of het nog wel wenselijk is dat gestimuleerd wordt dat vrouwen in alle informaticaberoepen participeren.
Thema 3: Hoe moet informatica-onderwijs er in de toekomst uitzien?
Afhankelijk van de uitspraken in de thema 1 en thema 2 zal er een profiel van toekomstig informatica-onderwijs worden geschetst.
Bij dit schetsen zal er een bijdrage worden gevraagd van alle sessiedeelnemers.


Bijlagen

1992_Crutzen_themasessie_congresmap.pdf

Themasessie: Wie loopt voorop? Regulier of niet-regulier onderwijs?

Stellingen
– De samenwerking tussen het reguliere en het niet-reguliere informatica onderwijs is tot nu toe onvoldoende. Er dient meer afstemming plaats te vinden.
– Zwaartepunten van het niet-reguliere onderwijs zijn met name actualiteit, praktijkgerichtheid en directe toepasbaarheid.
– Het reguliere onderwijs kenmerkt zich door diepgang, breedte en een langere opleidingstermijn.
– Voor het niet-reguliere onderwijs is aanpassing aan recente ontwikkelingen op het vakgebied een harde eis; voor het reguliere onderwijs is dit van minder belang.
Toelichting
Zolang er zowel regulier als niet-regulier informatica onderwijs wordt gegeven worden er pogingen ondernomen om deze beide stromen ten opzichte van elkaar te positioneren. Enkele, vrij traditionele opvattingen, zijn bijvoorbeeld:
– Het reguliere onderwijs houdt zich bezig met opleiden en het niet-reguliere onderwijs met scholing en training.
– Bij innovatieactiviteiten zal het niet-reguliere onderwijs vooroplopen, het reguliere onderwijs zal volgen.
– Het reguliere onderwijs maakt eerder gebruik van in het niet-reguliere onderwijs ontwikkelde producten zoals lesmateriaal, dan omgekeerd.
Bovenstaande uitspraken zijn zeker niet onwaar, toch is het de vraag of juist deze uitspraken echt karakteriserend zijn voor de beide onderwijsstromen in 1992.
Bovendien zijn er een aantal recente ontwikkelingen. Misschien is wel de belangrijkste de vrij negatieve vooruitzichten van de informaticabranche. In sommige publicaties (bijvoorbeeld recent vanuit de COMBO) wordt ook een heel somber beeld geschetst van de toekomst voor de informaticus, en als afgeleide hiervan voor het informatica-onderwijs (het zou ten dode opgeschreven zijn). Gelukkig wordt deze negatieve visie niet door iedereen gedeeld. Toch lijkt een herpositionering, in het licht van maatschappelijke ontwikkelingen, van het informatica-onderwijs in het algemeen, en van het reguliere ten opzichte van het niet-reguliere onderwijs in het bijzonder, noodzakelijk.


Bijlagen

1992_Veenstra-Strijland_themasessie_congresmap.pdf

Themasessie: Kwaliteit en professionaliteit

Stellingen
– Bij het ontwikkelen van informatica-opleidingen moet worden uitgegaan van beroepsprofielen die representatief zijn voor de beroepspraktijk van nu en in de nabije toekomst.
– De docent en/of de ontwikkelaar van informatica-opleidingen dient het perspectief van de student als uitgangspunt te nemen.
– De docent van informatica-opleidingen moet niet alleen de leerstof kennen; hij of zij moet die stof ook kunnen overdragen.
– De docent én ICT ontwikkelaar van informatica-opleidingen dient de middelen te hebben om kwaliteit te kunnen leveren.
– Certificatie van opleidingsinstituten door brancheorganisaties of door onafhankelijke organen zal een beter middel zijn voor het onderscheiden van goede en slechte opleidingsinstituten/opleidingen dan de Wet Erkende Onderwijsinstellingen (WEO).
Toelichting
Studenten van de informatica-opleidingen hebben recht op kwaliteit. Om de gewenste kwaliteit waar te maken dienen opleidingen en cursussen met zorg, op een professionele wijze, te worden ontwikkeld en uitgevoerd.
Kwaliteit van informatica-opleidingen betekent in de eerste plaats dat de door studenten verkregen kennis en vaardigheden relevant is voor de beroepspraktijk. Daarbij gaat het niet alleen om datgene dat gisteren en vandaag van belang is. Informatica-opleidingen dienen zoveel mogelijk te anticiperen op ontwikkelingen die voor een nabije toekomst van belang zijn. Ook bij het ontwikkelen en uitvoeren van informatica-opleidingen is deskundigheid op het gebied van de onderwijs-/opleidingskunde gewenst. Dit stelt eisen aan docenten en ontwikkelaars. Zij zullen dan ook over de middelen moeten kunnen beschikken om aan die eisen te kunnen voldoen.
Het is noodzakelijk dat er controle is op de kwaliteit van opleidingen en cursussen. Er moet derhalve een selectiemiddel zijn om goede en slechte opleidingsinstituten van elkaar te onderscheiden.
Op grond van het voorgaande zijn een vijftal uitspraken geformuleerd. Natuurlijk vertegenwoordigen deze uitspraken niet alle aspecten van het brede terrein van kwaliteit en professionaliteit van het informatica-onderwijs.


Bijlagen

1992_Stam_themasessie_congresmap.pdf

Themasessie: Gebruikersopleidingen

Stellingen
– Vraagtalen dienen niet onderwezen te worden in gebruikersopleidingen.
– Zonder gebruikersopleidingen zijn geen structureel goede systemen te ontwerpen.
– Gebruikersopleidingen zijn ten dode opgeschreven.
– Het regulier onderwijs kan geen adequate gebruikersopleiding verzorgen.
– Gebruikersopleidingen zijn maatwerk.
Toelichting
De term gebruikers wordt op dit moment in de informatica wereld op verschillende manieren uitgelegd. Zowel volledig opgeleide automatiseerders, als beginnende administratieve medewerkers met een PC op het bureau worden als gebruiker benoemd. In deze samenspraaksessie wordt het begrip gebruikers beperkt tot diegenen die de feitelijke eindgebruiker van een applicatie zijn. Ontwikkelaars worden hier dus niet als gebruikers gezien.
Te constateren valt, dat de opleiding van de eindgebruikers voor een groot deel afhankelijk gesteld kan worden van het inzicht in het belang van het werk van die gebruikers bij het management. Dit zou oorzaak kunnen zijn van een groei in gebruikersopleidingen. Daarnaast valt echter te verwachten dat veel gebruikers tijdens hun reguliere opleiding al op voldoende wijze hebben kennis gemaakt met informatica. Gebruikersopleidingen zullen dus hun noodzaak verliezen.
Mogelijk kan het zo zijn dat verandering van opzet en inhoud van gebruikersopleidingen er voor zorgt dat er over een aantal jaren alleen nog maar gebruikers worden opgeleid. Maar eventueel is het zo dat door een verregaande voortgang in gebruikersvriendelijkheid er binnenkort geen enkele gebruiker nog behoefte aan opleiding heeft.
Tijdens de themasessie wordt op deze en andere aspecten van gebruikersopleidingen ingegaan.


Bijlagen

1992_Rooimans_themasessie_congresmap.pdf

Themasessie: Docentenopleidingen en didactiek

Toelichting
1. Er zijn onderhand tal van docenten die onderwijs en opleidingen verzorgen in het breed te beschouwen vakterrein ‘informatica’, zowel in de reguliere als in de niet-reguliere sector. Een formele bevoegdheid hiervoor ontbreekt Wel zijn er diverse voorbeelden van scholingsprojecten volgens twee hoofdscenario’s: in de praktijk werkzame informatici krijgen een additionele didactische training, of docenten in andere vakken krijgen een aanvullende inhoudelijke scholing. Sinds enige tijd zijn daar volledige docentenopleidingen bijgekomen, verzorgd door de lerarenopleidingsinstituten. Wat is hier het verdere perspectief?
2. Jarenlang is er intensief en op allerlei niveaus gedebatteerd over wat er moet worden onderwezen op het gebied van informatica. Deze discussie loopt uiteraard door, maar het wordt tijd dat er meer aandacht komt voor de hoe-vraag, voor de didactiek van het vak. Wat zijn wat dit betreft goede aanknopingspunten, waarvan kunnen we leren om de informaticadidactiek vooruit te helpen?
3. Docentenopleidingen en didactiek zijn nauw met elkaar verweven. Docenten kunnen niet worden opgeleid als er geen ruimte is voor de vakdidactiek, terwijl er vanuit de opleidingspraktijk heel concrete didactische vragen opduiken en impulsen komen voor de verdere ontwikkeling van informaticadidactiek.
Procedure en uitspraken
Er zijn drie subthema’s gekozen, waarop steeds twee opponenten elkaar zullen ‘bestrijden’. Per subthema zullen pleidooi plus tegenpleidooi en de daaropvolgende groepsdiscussie moeten leiden tot uiteindelijk één uitspraak, onderschreven door het merendeel van de op de themasessie aanwezige congresdeelnemers.
Subthema 1: didactiek
uitspraak 1.1 Informatica moet gedoceerd worden als bètavak
versus
uitspraak 1.2 Informatica moet gedoceerd worden als gamma-vak
Subthema 2: opleiding
uitspraak 2.1 Het tekort aan informaticadocenten kan het beste bestreden worden door informatici didactische vaardigheden bij te brengen
versus
uitspraak 2.2 Het tekort aan informaticadocenten kan het beste bestreden worden door docenten in andere vakken bij te scholen in de informatica
Subthema 3: hulpmiddelen
uitspraak 3
Het gebruik van computers in het informatica-onderwijs zou eerder minder dan meer moeten worden.


Bijlagen

1992_Mulder_themasessie_congresmap.pdf

Themasessie: Informatietechnologie in het Voortgezet Onderwijs

Voor drie thema’s worden drie uitspraken toegelicht en becommentarieerd door telkens een voor- en een tegenstander.
Thema 1: Invoering Informatietechnologie op scholen VO
Uitspraak: Scholen die informatietechnologie willen invoeren moeten onder bepaalde voorwaarden extra middelen krijgen.
Volgens de beleidsnotitie ‘Enter: De Toekomst’ zal de introductie van informatietechnologie in het voortgezet onderwijs eind 1992 voor een belangrijk deel achter de rug zijn. ‘De inhaalslag is voorbij: in de scholen is een basis gelegd in termen van apparatuur, programmatuur en deskundigheid’. Is deze analyse juist en is het voor de invoering van informatietechnologie voldoende dat in de bekostiging normvergoedingen voor onderhoud, vervanging exploitatie en aanschaf van programmatuur zijn opgenomen?
De uitspraak zal worden becommentarieerd door G.A. ter Ellen, computercoördinator Scholengemeenschap Zuid, Proefstation Oost, Enschede en B. van Weering, projectcoördinator informatica, Instituut voor Leerplanontwikkeling (SLO), Enschede.
Thema 2: De coursewareproblematiek in het VO
Uitspraak: De rijksoverheid moet courseware-ontwikkeling blijven stimuleren en financieren.
In de beleidsnota ‘Enter: De Toekomst’ zijn de volgende uitspraken te vinden:
1. De rijksoverheid trekt zich terug als stimulator van courseware-ontwikkeling en laat deze aan de direct belanghebbenden: (groepen) scholen en educatieve uitgeverijen.
2. De educatieve uitgevers investeren niet graag in courseware-ontwikkeling.
3. Een klein percentage van de docenten past in zijn lessen informatietechnologie toe: nieuwe pakketten zijn vooralsnog niet nodig.
Zijn deze uitspraken geldig en/of wenselijk? Of zouden bij voorbeeld aan (groepen) scholen die zelf financieel investeren, middelen moeten worden toegekend voor geavanceerde, educatieve softwareprojecten?
De uitspraak zal worden becommentarieerd door B. Cartigny (Onderwijsbureau, OMO) en R. Stol (coördinator technologie beleid Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen).
Thema 3: Informatiekunde in de onderbouw en informatica in de bovenbouw
Uitspraak: Informatiekunde en informatica dienen als aparte vakken binnen het voortgezet onderwijs een volwaardige plaats te krijgen.
Zijn de aparte vakken informatiekunde en informatica wel een noodzaak? Is implementatie van informatietechnologie in andere vakken niet genoeg? Of is daarbij juist de steun nodig vanuit informatiekunde/informatica? Is dat de enige reden tot invoering van de vakken? Of is er meer? Wat voegen die vakken toe aan het voortgezet onderwijs? Is dat de moeite waard om de moeizame weg van invoering te bewandelen?
De uitspraak zal worden becommentarieerd door J. Moonen (hoogleraar Universiteit Twente) en T. van der Heyden (voorzitter Vereniging I&I).


Bijlagen

1992_Hogenbirk_themasessie_congresmap.pdf

Themasessie: Beroepsonderwijs

Stellingen

Instroomkwalificatie met betrekking tot basisvaardigheden
a. Basisvaardigheden in informatica behoren tot de einddoelen van de eerste fase voortgezet onderwijs. De tweede fase beroepsonderwijs bouwt daarop voort.
b. Ook voor het vak (basis-) informatica verdient het aanbeveling een A-, B- en C-niveau te definiëren in het voortgezet onderwijs, evenals dat het geval is voor vakken als Nederland en wiskunde.
c. Het is van belang de bewustwording van docenten en management van het eerste faseonderwijs te vergroten, met betrekking tot de impact van (het vak) informatica in het beroepsonderwijs en de beroepspraktijk.

Basiskennis in tweede fase beroepsonderwijs
a. In het tweede-fase-beroepsonderwijs moeten concepten en begrippen aangebracht worden van informatica, informatiestromen en informatiebeheer. Daarbij dienen leerlingen getraind te worden in probleemoplossend denken.
b. Verwerking van theoretische kennis vereist, in verband met het leerproces van het ‘doetype’ leerling, praktische omgang met hard- en software. Hierbij is het niet nodig over de nieuwste versies van de hardware en de software te beschikken. Dit is momenteel de tendens, maar onnodig en (op den duur) bovendien onbetaalbaar.

Aansluiting op de beroepspraktijk
a. In het tweede fase beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie dienen de te leren informaticakennis en -vaardigheden zo dicht en realistisch mogelijk op de beroepspraktijk aan te sluiten. Hiertoe dient de beroepspraktijk voortdurend geanalyseerd te worden op informatica-aspecten in relatie tot beroepshouding, -kennis en -vaardigheden.
b. Wellicht is informatica de aanzet om leerlingen multidisciplinair voor te bereiden op de beroepspraktijk door middel van teamteaching met de informatica- en de vakdocent.
Toelichting
Bij het voorbereiden van de beleidssessie voor het Beroepsonderwijs is de voorbereidingsgroep niet uitgegaan van de diverse onderwijsvormen. Getracht is te komen tot ‘stellingen’ of beweringen die onafhankelijk zijn van een onderwijssoort, waarbij de ene bewering meer waar is voor een bepaalde onderwijssoort dan de andere.
Er is gekozen voor de invalshoek: ‘begintermen – eindtermen’ van het tweede fase onderwijs.
Onder begintermen wordt verstaan die kennis en vaardigheden (op ’t gebied van informatica) die men heeft opgedaan in het eerste fase onderwijs. Het is de startkwalificatie voor voortzetting en verdieping in het tweede fase beroepsonderwijs.
Onder eindtermen wordt verstaan de kennis en vaardigheden die men heeft verworven in de
beroepsopleiding.
De ‘stellingen richten zich op de instroomkwalificatie voor het tweede fase beroepsonderwijs, de in de tweede fase aan te brengen kennis en vaardigheden (eindtermen) en de aansluiting op de beroepspraktijk.


Bijlagen

1992_Brederveld_themasessie_congresmap.pdf

Themasessie: Integratie van informatica in het Hoger Onderwijs

Stellingen
– Alleen als het informatica-opleidingsveld zich in de komende vijf jaar institutionaliseert is er in de toekomst nog plaats voor informatiekunde-opleidingen in het hoger onderwijs (Baeten)
– De investeringen in gebruikersopleidingen, bijvoorbeeld door beschikbaarstelling van applicatieprogrammatuur, dienen door zowel overheid als bedrijfsleven te worden opgevoerd (Boersma, NIOC ’90)
– De sleutel tot integratie van informatica is de transformatie van alle (andere) vormen van informatie naar elementaire zinnen in de natuurlijke taal (Dietz)
– In het Hoger Onderwijs is nog meer dynamiek nodig om de snelle ontwikkelingen in de automatisering te blijven volgen (Van Ingen)
– Verwarring over het wezenlijke onderscheid tussen informatica en informatiekunde leidt tot veronachtzaming van de interfaces tussen beide gebieden en belemmert integratie. (Van Leeuwen)
Toelichting
Kernwoord van deze sessie is: Integratie. In Van Dale (1984) wordt onder integratie verstaan: het integreren, het maken tot of opnemen in een geheel.
Uitgangspunt van deze themasessie is de volgende stelling:
De integratie van de disciplines informatica en informatiekunde in andere disciplines is tot op heden onvoldoende gerealiseerd,
Diverse reacties zijn mogelijk:
– hoezo?
– moet dat dan?
Ook kunnen vragen worden gesteld als:
– Wat is informatica?
– Wat is informatiekunde?
– Zijn dit eigenlijk wel disciplines?
– Wat is dan het kenobject?
– Wat is het ervaringsobject?
– Wat wordt bedoeld met andere disciplines?
Het zou te ver gaan op één A4-tje of tijdens een sessie van een uur antwoorden op al deze vragen te verwachten, Waar het met name om gaat is het volgende.
Aanvankelijk (de jaren ‘SO) hielden mensen zich met computers bezig om ze ‘aan de praat te krijgen’ en om wiskundige en administratieve toepassingen ‘er op te draaien’, Er was sprake van een gezamenlijk belang waarbij de toepassers uiteindelijk wel bepaalden wat er gebeurde, Samen sterk! Als de programma’s maar draaien, dan is het goed, Toen: de jaren ’60 en daarna, kwamen er mensen (informatici avant-Ia-Iettre?) die vonden dat computers beter (bijvoorbeeld capaciteit en snelheid) gebruikt moesten worden, Zij scheidden zich af en predikten optimaliteit van computergebruik. Tot optimaliteit rekenden zij verschillende zaken: capaciteit, snelheid, betrouwbaarheid, enzovoorts. Deze boodschappen werden niet verstaan door de toepassers: als de programma’s maar werkten en de salarissen of facturen maar klopten is ‘het’ toch goed? En zo ontstond er een nieuwe discipline die zich in de loop der jaren steeds meer onttrok aan de wensen van mensen die wel een computer willen gebruiken maar die geen interesse hebben voor kwaliteit De gebruikers zijn geboren.
Na de komst van de personal computers (jaren ’80) wordt de afstand tussen informatici en gebruikers groter en groter. Al snel wordt een oplossing voor de overbrugging van de afstand (communicatieproblematiek) aangedragen: de toepassers van weleer worden nu informatiekundigen genoemd. Zij moeten zorgen voor de communicatie tussen experts en gebruikers. Wat betekent dit? Eerst geëxcommuniceerd en vervolgens weer geaccepteerd? Informatiekundigen verenigt U en stel Uw eigen eisen vast. Vol vertrouwen in eigen kunnen gebruiken zij (jaren ’70 en ’80) methoden als ISAC en SDM, en later ook BSP en ISP. Vanuit de nieuwe wetenschap worden onderwerpen als informatiebeleid en informatieplanning onderscheiden. En die arme gebruiker heeft (weet) het niet meer. De informatiekundigen zouden toch voor de communicatiezorgen? En zo zijn er twee niveaus ontstaan met communicatieproblemen: die tussen de informatici en de informatiekundigen en die tussen de informatiekundigen en de gebruikers.
Langzamerhand weet niemand het meer. Er zijn zelfs geluiden als ‘Uithuilen en opnieuw beginnen’ (Elsevier, 11/4/1992). Moeten de gebruikers soms zelf beter (Ieren) aangeven wat ze willen? Is dan toch integratie van hardware en software in andere disciplines het antwoord? Langzamerhand moet het toch kunnen met al die gebruikersvriendelijke programma’s? Welke bijdrage kan vanuit het Hoger Onderwijs aan deze problematiek worden gegeven?


Bijlagen

1992_Boersma_themasessie_congresmap.pdf

Technische cognitiewetenschap

De Rijksuniversiteit Groningen heeft plannen voor een bovenbouwstudie Technische Cognitiewetenschap, de studie van menselijke en kunstmatige intelligentie. De studie wordt een samenwerking tussen Psychologie, Letteren, Natuurkunde, Informatica en Filosofie. Doel van de presentatie is het schetsen van de inhoud en eindtermen van de studie, hoe deze via het curriculum worden bereikt, en wat de beroepsmogelijkheden voor de afgestudeerden zijn.


Bijlagen

1992_Andringa_ea_congresmap.pdf

Literate programming in het onderwijs

Het is gebruikelijk om gestructureerd programmeren te onderwijzen met behulp van stapsgewijze verfijning. Maar de werkstukken die studenten inleveren bestaan uit gecompleteerde programma’s en de toegepaste verfijningen moeten daar als het ware uit worden ge-‘parsed’.
Het zou veel overzichtelijker zijn om omgekeerd te werken: documenteer de verfijningen en genereer daaruit de programmafiles. Knuth heeft deze benadering ‘Iiterate programming’ genoemd.


Bijlagen

1992_VanAmmers_ea_congresmap.pdf