Achtergrond
Kennis en vaardigheden verouderen snel in onze samenleving. Onderwijs en (toekomstige) werkgevers zoeken naar leerwijzen die ervoor zorgen dat deelnemers aan onze maatschappij kunnen bijblijven bij, ook nu nog onbekende, ontwikkelingen. Leren leren, lerende organisaties, permanent leren en ontwikkelen zijn begrippen die regelmatig in publicaties naar voren komen. Wat daarbij centraal staat, is dat de lerende zelf een actieve en verantwoordelijke rol speelt.
(On)mogelijke opgave?
Open leren biedt de weg naar die zelfstandigheid. Het beschrijft allerlei manieren, leervormen en methoden, waarop onderwijs en (bedrijfs)opleiding individuen helpen verantwoordelijkheid te dragen voor hun eigen leren, een op maat gesneden opleidingstraject. Is open leren een haalbare kaart? Ons antwoord op deze vraag is een volmondig JA! Hoe ‘open leren’ er in uw school of bedrijf uit gaat zien, kan per organisatie sterk verschillen. De vorm hangt af van uw visie op (toekomstig) opleiden en de mogelijkheden die uw organisatie heeft. Er is niet een, vaste manier waarop open leren handen en voeten krijgt. Er zijn gradaties. Een geheel open systeem is nergens te vinden. Of het moet de selfsupporting autodidact zijn die aangesloten is op Internet. Maar ook die is nog altijd afhankelijk van een informatiebestand dat anderen hebben samengesteld. Een geheel gesloten systeem bestaat ook niet. Iedereen heeft wel enige vrijheid om uit het bestaande kennissysteem te kiezen. Onderwijsinstellingen en bedrijven zullen hun opleidingssysteem ergens op de schaal tussen “minder open” en “bijna helemaal open” kunnen en willen organiseren.
Inleiding met concrete voorbeelden
De inleiding ‘Open leren: een haalbare kaart?’ bespreekt een analysetabel waarmee opleiders hun wensen en doelen voor ‘open leren’ kunnen inventariseren. Verder komen de koninklijke weg naar ‘open leren’ en enkele tips voor de invoering aan de orde. Bezoekers van de inleiding krijgen een boekje mee. Het bevat aspecten om rekening mee te houden bij start en/of invoering van open leren in onderwijsinstelling of bedrijf.
Beroeps Praktijk Vorming (BPV) in de economische sector – Adequate matching cursist-bedrijf d.m.v. het BPV-analysemodel
De Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB) schrijft voor dat het middelbaar beroepsonderwijs veel praktischer moet worden. Voor de Beroepsopleidende leerweg dient dan ook 20 tot 60 % van de opleiding in de praktijk plaats te vinden. Op zich een goede opzet, maar er doen zich nogal wat vragen en problemen voor.
Heeft het betreffende percentage betrekking op het aantal studiebelastingsuren, gaat het om het aantal deelcertificaten of het aantal eindtermen, mag een deel van de ‘vrije ruimte’ in die BPV worden gebruikt? enz. Op dit soort vragen moeten de antwoorden (per december 1996) nog gegeven worden, met name door de landelijke organen. Het grootste probleem dat zich aandient is het vinden van voldoende BPV-plaatsen, zowel in kwantitatieve zin als in kwalitatieve zin.
Om ervoor te zorgen dat er toch een zo groot mogelijk aantal goede BPV-plaatsen wordt gevonden is er een BPV-analysemodel ontwikkeld door het PAT in Tilburg. Het model wordt toegepast op de cursisten en op de bedrijven. T.a.v. de cursisten wordt geïnventariseerd welke Elders (eerder) Verkregen Kwalificaties ze hebben verworven. Van het bedrijf wordt geïnventariseerd welke eindtermen ze op een BPV-plaats kunnen vervullen. Het restant van de eindtermen dient het ROC zelf in te vullen. Daarvoor is ook per eindterm weergegeven of dit op een extensieve en intensieve manier moet (kan) worden ingevuld, d.m.v. simulaties, internettoepassingen, multimedia, enz.
Bijlagen
Het project ICE+. Storingzoeken met behulp van multimedia
Storingzoeken komt in verschillende technische sectoren voor. Een automonteur zoekt naar de oorzaak van een slecht lopende motor. Een liftmonteur pluist de elektriciteitskast na van een lift. En een servicemonteur probeert in no-time de vriesinstallatie van een visfabriek te repareren.
Vaak wordt storingzoeken pas in de praktijk echt geleerd. Daarbij valt op dat veel monteurs doeners zijn, en direct beginnen te sleutelen. Uit onderzoek blijkt dat efficiënt storingzoeken gebeurt in ‘je nette pak’ (eerst denken, dan pas doen). In het MTO bestaat geen vast omlijnde methode om leerlingen te leren storingzoeken. Middels modellen (kleine apparaten, schema’s op het bord) tracht men leerlingen ervaring te laten opdoen met storingzoeken.
ICE+ gaat uit van de volgende gedachte. Storingzoeken doe je in de praktijk door te kijken, te luisteren, te voelen en te meten. En natuurlijk door goed, analytisch na te denken. Door de huidige mogelijkheden van computers en multimedia is dat na te bootsen in een simulatie. Daarbij wordt de werkelijkheid zo veel mogelijk benaderd.
Deze gedachte is uitgewerkt in een prototype. Het programma start met een telefoontje van de baas van de storingsmonteur. Hij stuurt de servicemonteur (de gebruiker van het programma dus) naar een klant die problemen heeft. Daar aangekomen kan de gebruiker door simpelweg een pijl over een foto te bewegen de zaak onderzoeken. Telkens komen nieuwe, ingezoomde, foto’s op het scherm. Verschillende ruimtes en machines kunnen zo geïnspecteerd worden. Ook de klant valt ‘aan te klikken’. Dan vertelt deze wat er aan de hand is. Vervolgens is het een grote speurtocht, waarbij allerlei onderdelen te bekijken, en te meten zijn. Bovendien zijn instellingen van de installatie te wijzigen en kan men onderdelen vervangen. Door dit lukraak te doen, kan het erg lang gaan duren. Door echter planmatig te werk te gaan, en bijgeleverde schema’s en het logboek te raadplegen is een efficiëntere zoekweg mogelijk. Zodra de oorzaak gevonden en verholpen is, beëindigt de simulatie. De gebruiker krijgt een overzicht van zijn acties te zien, met daarbij de behaalde score.
Het programma bevat tevens de mogelijkheid om tijdens elke actie een score op het scherm te tonen. Zo zie je van elke actie wat de plus- of de minpunten zijn. Een commentaarstem doet dat trouwens ook. Bij het vervangen van een verkeerd onderdeel hoor je: “dit is een verkeerde beslissing” .
In een veldtest op twee colleges voor beroepsonderwijs is het programma uitgebreid geëvalueerd. Opvallend was het gemak waarmee leerlingen binnen korte tijd zich meester maakten van het programma. Enkele uitkomsten:
1. Leren met de simulatie is zeer intensief, en aantrekkelijk. In een uur tijd behandelen leerlingen 6 verschillende oorzaken, terwijl in een normale les dat veel minder is. Bovendien is het oplossen spannend en uitdagend.
2. Het leereffect met de simulatie is veelbelovend. Leerlingen vinden zelf dat ze er veel van leren, en de evaluatie van de opgeloste ‘cases’ bevestigt dat.
Het vervolg van ICE+ bestaat uit de ontwikkeling van meerdere Troubleshooters. Dit is mogelijk omdat storingzoeken veelal op gelijksoortige wijze dient te gebeuren. Door dit gedeelte apart te ontwikkelen ontstaat een engine die voor meerdere technische sectoren toegepast kan worden. In dat project wordt samengewerkt met TNO-Technische Menskunde.
Bijlagen
De praktijkcomponent onder de Wet Educatie en Beroepsonderwijs voor de informatica opleidingen van het ECABO
Wet Educatie Beroepsonderwijs, WEB
Er komt een landelijke kwalificatiestructuur voor het beroepsonderwijs met vier duidelijke opleidingsniveaus en twee verschillende leerwegen. Ook de structuur van de opleidingen in de (volwassen) educatie gaat veranderen. Daardoor moet een betere aansluiting met het beroepsonderwijs ontstaan.
Deze wijzigingen moeten leiden tot een stelsel dat leerlingen kan opvangen met op de persoon toegesneden opleidingen. Tegelijkertijd wordt meer dan ooit aandacht besteed aan kennismaking met de beroepspraktijk (de zogenoemde “beroepspraktijkvorming”). Daardoor moet de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt verbeteren. De WEB vervangt alle huidige wetten op het terrein van de volwasseneducatie (BVE) en het beroepsonderwijs (nu nog WCBO) en brengt deze onder in een samenhangend geheel.
Kwalificatiestructuur
De WEB introduceert voor het beroepsonderwijs een nieuw onderwijsmodel met een en dezelfde kwalificatiestructuur. Gekozen is voor een kwalificatiestructuur met vier opleidingsniveaus.
Leerwegen
Voor alle opleidingen kunnen binnen de onderstaande kwalificatiestructuur twee leerwegen worden ontworpen:
A. een beroepsopleidende leerweg, BOL; omvang beroepspraktijk vorming 20 – 60%.
B. een beroepsbegeleidende leerweg, BBL: omvang beroepspraktijk vorming 60 – 80%.
ECABO informatica opleidingen
Het opleidingsaanbod van het landelijk orgaan ECABO bestaat uit de volgende informatica opleidingen:
Kwalificatie / Leerweg / Niveau
Medewerker Beheer / BBUBOL / 3 Vak.
Informatiesystemen / BBUBOL / 4 Midden.
Applicatiebeheerder / BBUBOL / 4 Midden.
Beheerder technische Infrastructuur / BBUBOL / 4 Midden.
Systeem Beheerder MKB / BBUBOL / 4 Midden.
Applicatie Ontwikkelaar / BBUBOL / 4 Spec.
ICT-Beheer / BBUBOL / 4 Spec.
Netwerkbeheerder / BBUBOL / 4 Spec.
Mogelijke invullingen van de praktijkcomponent
De WEB maakt veel werk van het vergroten van de aandacht voor de beroepspraktijk buiten de school. Iedere opleiding moet een substantieel deel inruimen voor deze beroepspraktijkvorming. Geen enkele deelnemer kan een diploma behalen zonder aan dit onderdeel te hebben meegedaan. De precieze omvang hiervan wordt door de Landelijke Organen Beroepsonderwijs (LOB) per opleiding vastgesteld in de eindtermen.
De invulling van de leerwegen is in de meest ideale vorm een traject van samenwerking tussen een ROC en een erkend leerbedrijf. Een kandidaat volgt zijn opleiding bij een ROC en heeft een praktijkleerplaats bij een leerbedrijf . De theorie en praktijk kan in de beroepsbegeleidende leerweg parallel lopen aan de theorie. Bij een beroepsopleidende leerweg volgt over het algemeen de kandidaat eerst de theorie lessen en zal pas veel later te maken krijgen met de praktijk.
Hoe zal naar verwachting de praktijk eruit komen te zien voor d.e informatica opleidingen?
Bijlagen
Innovatie ondernemerschap: PTT Telecom ontmoet Hogescholen
De groei van de Nederlandse economie zal sterke stimulansen ondervinden bij een toenemend aantal nieuwe ondernemingen, met een op know-how gebaseerde strategie. PTT Telecom wil actief bijdragen aan het stimuleren en scheppen van voorwaarden, die een duurzame groei van de telematicamarkt in het algemeen en van het ondernemerschap in de informatie-, communicatie-, technologiemarkt in het bijzonder bevorderen.
Telecommunicatie onderwijs, kennisoverdracht & ondernemerschap (Toko) voorziet in samenwerking met die Nederlandse instellingen op universitair, hoger en middelbaar beroepsonderwijs die zich specifiek toeleggen op de stimulering van initiatief en zelfstandig ondernemerschap.
Doelstellingen
In de nota “Kennis in beweging” wordt een oproep aan het Onderwijs gedaan tot stimulering van initiatief en zelfstandig ondernemerschap. PTT Telecom wil door gestructureerde samenwerking met Nederlandse onderwijsinstellingen regionale business/innovatie ontwikkeling stimuleren. Ter realisatie zijn de volgende doelstellingen vastgelegd:
– het overdragen van kennis en praktische ervaring ter verhoging van de slaag kans van (door)startende ondernemingen.
– het op basis van een jaarlijks overeengekomen planning bieden van mogelijkheden tot de vervaardiging van business plannen door afstudeerders van Nederlandse onderwijsinstellingen.
– de daadwerkelijke start van ondernemingen door afgestudeerden van Nederlandse onderwijsinstellingen.
– het op instellingsniveau bieden van optimale inhoudelijke expertise ter ondersteuning van gezamenlijk geadopteerde afstudeerprojecten.
– een dusdanige begeleiding opzetten dat de daadwerkelijke startende ondernemer een half jaar na de start de cash-flow op orde heeft.
Organisatie
De betrokken Onderwijsinstelling en PTT Telecom zorgen voor de inrichting van een projectorganisatie. Daarbij zijn de volgende punten van belang:
– het opstellen van een jaarplan
– de selectie van de deelnemende studenten
– het begeleiden en beoordelen van de deelnemende studenten
– het opstellen van een procedure voor de begeleiding van startende ondernemers
– de evaluatie van de ondernomen activiteiten.
Fasering
Het curriculum van de deelnemende instellingen is met betrekking tot het project in een viertal fasen te verdelen. Elke fase wordt afgesloten met een presentatie van de deelnemende studenten. De fasen zijn de informatie-, de ontwikkelfase, de creatie- en realiseringsfase.
Bijlagen
MBO-HBO Doorstroom traject
Het combi-jaar ICT, een samenwerking tussen Arcus College en Hogeschool Zuyd, is in september 2010 gestart en bedoeld voor leerlingen die na het MBO een HBO ICT-studie willen volgen of er over nadenken om dit te gaan doen.
Doel van het jaar is om te ervaren welke studiehouding, studievaardigheden en studieaanpak voor het volgen van een HBO-opleiding belangrijk zijn. Daarnaast maakt de deelnemer kennis met de ICT-opleidingen die door Hogeschool Zuyd op HBO niveau worden aangeboden.
Gedurende 1 dag per week volgt de leerling (in het laatste (4e) jaar van het MBO) een speciaal programma. Een bewustere keuze en een soepelere overstap (doorstroom) naar het worden middels dit programma gerealiseerd.
De leerling die het MBO niveau 4 certificaat en het HBO combi-jaar succesvol heeft afgerond, heeft (onder voorwaarden) de mogelijkheid de HBO-studie versneld te doorlopen (deels op basis van behaalde resultaten (credits) uit het combi-jaar).
Bijlagen
iFontys
Voor iFontys pilot project zijn van 10 instituten 10 studenten en 2 docenten voorzien van een iPad met 3g data abonnement. Doelstelling hiervan is, deze groep te gebruiken als denktank bij het vormgeven van smart mobile learning binnen Fontys. De groep heeft een opdracht meegekregen en ontmoeten elkaar regelmatig in verschillende samenstellingen.
Belangrijk is eerst in de basisbehoefte zoals planning en content te voorzien. De roosters zijn voor de 10 deelnemende instituten beschikbaar gemaakt voor alle studenten in outlook en op alle mobiele devices. Van Media voorzieningen wordt in samenspraak met de instituten zoveel mogelijk content beschikbaar gemaakt in een makkelijk op de iPad te consumeren formaat. Daarnaast is met Recordingbox de mogelijkheid binnen gehaald om colleges op te nemen welke vervolgens automatisch doorzoekbaar gemaakt worden. Met Apple is een overeenkomst om al deze content via iTunesU te ontsluiten (ook voor Androids!). Vanuit de hogeschool ICT en de PTH worden in de slipstream van het project apps ontwikkeld voor ondersteuning van interactief onderwijs.
(Bedoeling is voor het einde van het project hier de eerste ervaringen mee te hebben opgedaan.) Het project richt zich niet uitsluitend op iPads maar in feit op elk mobiel device wat leren kan ondersteunen (iPads waren toevallig de eerste). In februari zal naast het kwantitatieve onderzoek ook het kwalitatieve deel zijn afgerond en zullen de conclusies en de vervolgstappen naar de Fontys organisatie gecommuniceerd worden.
Bijlagen
Visualisatie van het Objectgeorienteerde Paradigma
Het onderwijs in programmeren maakt een wezenlijk deel uit van elke informatica-opleiding. Veel opleidingen kiezen ervoor dit onderwijs te schoeien op objectgeoriënteerde leest. Voor studenten die voor het eerst met dit paradigma geconfronteerd worden blijkt het vaak lastig te zijn zich een voorstelling te maken van wat er bij de uitvoering van een programma nu precies gebeurt.
In deze bijdrage gaat het om een grafische notatie die erop gericht is om de principes van de werking van objectgeoriënteerde programma’s zichtbaar te maken. Niet alleen kunnen objecten met hun onderlinge samenhang worden weergegeven, maar ook “lopende methoden” binnen die objecten. Deze vorm van visualisatie is vooral bedoeld voor het initiële leertraject, waarin studenten zich de concepten van objecten en hun samenhang en samenwerking eigen moeten maken.
Bijlagen
Competentiegericht ICT-onderwijs in het MBO
Sinds cohort 2001 is het MBO gestart met het opleiden van duizenden nieuwe deelnemers volgens een nieuwe set geïntegreerde kwalificaties. De historisch parallel lopende structuren van de sectoren Economie en Techniek zijn hiermee ten einde.
Dit voorjaar (2002) heeft de taskforce in zeer nauwe samenwerking met het bedrijfsleven en met vertegenwoordigers vanuit het scholingsveld (uiteraard MBO maar ook HBO) de meer ’traditionele’ eindtermen vertaald naar (h)erkenbare formuleringen. Het combineren van vaardigheden, attitudes, kennis en inzicht heeft geleid tot werkbare en toetsbare curricula.
Tijdens de workshop zullen de deelnemers de verschillen ondervinden tussen traditionele en competentiegerichte eindtermen.
Bijlagen
Doorlopende duale leerweg MBO – HBO ICT; een verhaal uit de praktijk
In de periode 2000-2001 is er door de Haagse Hogeschool en ECABO i.s.m. een aantal andere Hogescholen en ROC’s, gewerkt aan het verbeteren van de aansluiting van MBO op HBO duaal ICT. In september 2001 is de eerste, zeer bescheiden groep gestart. Een groep aan de Hogeschool Zuyd i.s.m. met ROC de Leeuwenborgh en een groep aan de Haagse Hogeschool i.s.m. Het ROC Albeda College.
Tijdens de presentatie krijgt u een overzicht van wat er zich in het landelijke project heeft afgespeeld, hoe wij hier in de regio Den Haag/Rotterdam e.e.a. vorm hebben gegeven en hoe het onze studenten tot nu toe is vergaan.
Na deze inleiding willen we graag met u van gedachten wisselen aan de hand van 4 items t.w. aanpassing van het bestaande curriculum, werving van de leerling/studenten, werving en accreditatie van bedrijven, de dagelijkse praktijk tot op heden.
Aansluitend besteden we aandacht aan de laatste regionale ontwikkelingen zoals de vorming van 7-jarige Mbo-Hbotrajecten al dan niet duaal.
